n=1 complex

Een n=1-complex

Stel, je zit in een projectgroep. Het is jullie gelukt om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen en jullie hebben een duidelijk plan. Jullie kunnen aan de slag.

Een collega wil nog iets inbrengen. Een persoonlijk verhaal over een familielid. Ze heeft nog even getwijfeld of ze er over zou beginnen, maar vertelt toch de schrijnende geschiedenis van haar zusje. Zij blijkt jarenlange ervaring met het onderwerp van de projectgroep te hebben. Je hebt het gevoel dat jullie hier iets mee moeten.

De voorzitter neemt het woord. Hij bedankt je collega voor het delen van dit persoonlijke relaas. Vervolgens zegt hij dat het, hoewel schrijnend, gelukkig wel een n=1-verhaal betreft. De ervaring van de een zegt niks over de ervaring van de ander. Heel even is het stil. Dan haalt iedereen adem. Jullie kunnen aan het werk.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt

Herken je dit? Heb je het zelf weleens meegemaakt; een onderwerp ingebracht waarvan je dacht dat het de moeite waard was? Of toegekeken terwijl de ervaring van een ander aan de kant werd geschoven omdat het over een n=1-verhaal ging? ‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt,’ zoals Cruijff ons leerde. De ene keer kom je er op een subtiele,  vriendelijke manier achter, dan weer direct, maar vaker indirect.

Ervaringen gaan vaak pas tellen als het er veel zijn. Het idee dat één ervaring of enkele ervaringen niet van betekenis zijn, is wijdverspreid. Je ziet het niet alleen in overleggen, maar ook in rapporten, beleidskeuzes of reacties.

Evidentie

Het n=1-complex heeft alles te maken met de nadruk die ligt op evidentie, generaliseerbaarheid en big data. Wanneer de regel is: hoe meer data, hoe beter, dan tellen individuele ervaringen niet. Dat kan heel nuttig zijn: je profiteert bij je huisarts niet alleen van zijn kennis maar van die van alle collega’s. Het kan ook heel verstandig zijn: een overheidsaanpak moet voor grote groepen mensen werken, niet alleen voor de mensen die het hardst roepen.

Maar wanneer de dooddoener ‘een n=1-verhaal’ van stal wordt gehaald, kan het ook zijn dat er belangrijke informatie aan de kant wordt geschoven. Als individuele ervaringen per definitie niet tellen wordt hiernaar lastig. Terwijl juist gedetailleerde verhalen heel waardevolle informatie kunnen bevatten. Informatie die niet alleen inzicht geeft in de complexiteit van de praktijk, maar ook in het samenspel van factoren waardoor beleid in de praktijk zo anders kan uitwerken dan is bedoeld.

Daarnaast heeft die n=1-reactie ook geen goede invloed op de relatie tussen bijvoorbeeld collega’s.

Kwalitatieve analyse op n=1

Het n=1-complex kan in de publieke sector behoorlijk in de weg zitten. Als iets niet vaak voorkomt, of je hebt het nog niet vaak gehoord, wil dit niet zeggen dat het geen analytische aandacht verdient. Sommige klachten hoor je maar één keer, maar zijn toch van onschatbare waarde. De zogenoemde gouden klachten: deze geven inzicht in een ander perspectief, laten zien hoe iets kan overkomen of waarschuwen voor een structurele tekortkoming. Een n=1-verhaal moet daarom niet het eindpunt maar juist het startpunt zijn, een uitnodiging voor verder onderzoek.

Onderzoek het zelf

Hoe dat eruit ziet? Je onderzoekt het gewoon zelf. En dat hoeft helemaal niet ingewikkeld te zijn.  Dat hoeft helemaal niet groots of meeslepend te zijn. Je onderzoekt het gewoon zelf. De eerstvolgende keer dat je een n=1-complex opmerkt, kun je beginnen met het stellen van de volgende vragen:

  • Waarom had iemand de neiging om dit verhaal te vertellen?
  • Welke betekenis heeft dit verhaal voor de verteller?
  • Wat zegt dit mij of ons?
  • Wat vind ik ervan als dit zich heeft voorgedaan?
  • Welke combinatie van factoren is hier interessant?
  • Wat zou ik hierover willen uitzoeken?
  • Als dit voor deze persoon geldt, wat zou dit dan kunnen zeggen over de ervaring van anderen?
  • Als dit ook voor anderen zou gelden, zouden wij dit dan (kunnen) horen?
  • Zou het de moeite waard zijn om uit te vinden of ditzelfde verhaal voor anderen geldt?

Je kunt hierbij ook inspiratie putten uit het blog Tien keer een onderzoekende blik, en dan met name aandacht besteden aan de blikken van de barman en de ontdekkingsreiziger.

Het n=1-complex houdt veel waardevolle informatie tegen én werkt belemmerend voor de relatie met je doelgroepen. Daarom is het zo belangrijk dat ook jij van je n=1-complex af komt en de goede vragen leert stellen. Niet omdat je ieder verhaal vanaf nu even belangrijk moet gaan vinden. Wel omdat ook één enkel verhaal een schat aan nieuwe inzichten kan bevatten.

Wat heeft de Rechtspraak aan feedback

Meer leren van andere ervaringen en perspectieven

Een artikel in het themanummer over het leren van feedback in Rechtstreeks

Manja Bomhoff en Yvonne van der Vlugt

 

Klachten, spiegelgesprekken, visitaties, online enquêtes en collegiale feedbacksessies. In dit artikel reflecteren we op het fenomeen van feedback binnen de Rechtspraak. Waarom zou de Rechtspraak feedback willen of nodig hebben? En wat kan de Rechtspraak ermee? Er gebeurt binnen de Rechtspraak van alles en er zijn, zo leren we van Joyce Silvester, steeds meer rechters die willen spiegelen en die zij hoort zeggen: ‘Hoe helpt mijn uitspraak de samenleving?’ Om optimaal te kunnen profiteren van feedback is het nodig om steeds weer na te denken over de waarde ervan. En om de mogelijke belemmeringen die worden gezien te adresseren. Het is niet altijd gemakkelijk om ruimte te vinden voor reflectie op het eigen werk en de eigen vanzelfsprekendheden. Soms is er geen tijd voor, soms wordt het niet belangrijk gevonden of is het onderwerp té gevoelig. Het is belangrijk om vragen of twijfels daarbij serieus te nemen: is het, met onafhankelijkheid als een centrale waarde, wel verstandig om burgers expliciet naar hun meningen te vragen? Wat voegt dat toe? Wordt er niet al genoeg geluisterd doordat we horen? Denken mensen dan niet dat ze een oordeel kunnen beïnvloeden of misschien nog erger: staan we zelf dan nog wel boven de partijen of raken we beïnvloed door één partijstandpunt?

We verkennen het onderwerp feedback binnen de rechtspraak. Dat doen we op basis van de artikelen over verschillende vormen van feedback in dit nummer van Rechtstreeks en onze eigen onderzoekservaringen op verschillende plekken binnen de publieke sector.

De waarde van feedback

Het motiveert als het leren van feedback niet een gedachteloos ‘moetje’ is, omdat het jaarlijks gebeurt, ‘nu eenmaal zo gaat’ of omdat het wettelijk is vastgelegd. Wanneer een organisatie of een professional helder heeft waarom feedback vragen zinvol is, kan er ook beter mee worden omgegaan. Dan wordt er meer van geleerd en mee gedaan. De waarde van feedback kan verschillend worden gezien. Feedback kan zicht geven op de (ervaren) kwaliteit of juist de risico’s, mogelijkheden laten zien voor innovaties, een impuls geven voor gezamenlijke reflectie of ruimte maken voor de stem van de minst machtige. Elk van deze redenen vergt een andere vorm van feedback. Net zo als het ertoe doet voor wie de feedback wordt opgehaald. Voor verschillende doelgroepen − een rechtbank, een afdeling, de Rechtspraak, de media, de Tweede Kamer, het ministerie − zijn verschillende feedbackinstrumenten geschikt. Daarover later meer, nu staan we eerst stil bij de − wat ons betreft − belangrijkste rol van feedback: inzicht in verschillende perspectieven en de eigen blinde vlekken.

Feedback geeft een mogelijkheid om kennis te nemen van verschillende perspectieven. Hoe kun je dit gebouw, deze interactie, dit proces, deze verhoudingen of deze regels anders ervaren? Je kunt de waarde van andere perspectieven pas zien wanneer je beseft hoe specifiek het eigen perspectief is. Dat vergt inzicht in hoe de eigen waarnemingen en interpretaties gekleurd zijn door de eigen achtergrond, opleiding, structuren en vanzelfsprekendheden.

[…]

Lees het hele artikel in Rechtstreeks 2020/2 hier (pdf).

luisteren

Van school tot gemeente, van ministerie tot ziekenhuis, van publieke organisatie tot overheid: al deze organisaties zijn bezig met het oppikken van signalen van hun doelgroepen. Zeker nu we in een tijd leven waar door de crisis de fysieke afstand groter is, nemen veel organisaties zich voor nóg beter te luisteren naar jongeren, ouderen, patiënten, bewoners, medewerkers en belangengroepen.
Tegelijkertijd horen we heel vaak dat mensen zich niet gehoord voelen. Hoe kan dat toch? Wat houdt de publieke sector tegen in het luisteren naar geluiden uit de samenleving? Welke belemmeringen maken het zo moeilijk om er ons voordeel mee te doen?

Horen wat wordt gezegd, is nog niet luisteren naar wat wordt bedoeld. Organisaties in de publieke sector kunnen zichzelf pas serieus nemen als ze kennis nemen en leren van de ervaringen van hun doelgroepen. Toch horen en zien wij in ons werk veel excuses, overtuigingen en onbewuste ‘ja-maren’ die echt luisteren in de weg staan. Niemand ontkent dat luisteren en leren van de doelgroepen belangrijk is, maar de praktijk wijst anders uit en de zo vaak gehoorde ‘waan van de dag’ staat in de weg.

In dit artikel delen we 10 veel voorkomende excuses die écht luisteren in de publieke sector verhinderen -en laten we zien hoe je daar anders mee om kunt gaan.

1.     Dat doet een ander toch al?

Publieke organisaties besteden een groot deel van het luisteren uit: communicatiemedewerkers beantwoorden vragen; klachtenfunctionarissen vangen klachten op; medezeggenschapscommissies leggen hun oor te luisteren; juristen vangen bezwaren en claims op en bij specifieke vragen aan de doelgroep kunnen onderzoekers worden ingehuurd. Al dat specialiseren en uitbesteden levert voordelen op – zoals professionalisering en overzicht. Maar beleid en uitvoering voelen hierdoor wel minder de noodzaak om zelf te luisteren. Zij hebben de meest directe invloed op de praktijk. Daardoor is juist hun werk gebaat bij terugkoppeling en een directe verbinding met de doelgroep. Het is niet nodig om alles zelf te doen, maar je kunt er wel direct je voordeel mee doen als je ook zelf in gesprek blijft.

Het maakt uit wie er luistert, zorg dat ook beleid en uitvoering in verbinding blijven staan met de doelgroepen.

2.     Dan moeten we naar iedereen luisteren

Van professionals in de publieke sector wordt verwacht dat ze door de ogen van de doelgroep kunnen kijken, weten wat er speelt en geïnteresseerd zijn in hun perspectief. Meer mensen om hun mening vragen, levert niet per definitie meer inzicht op. Het aantal mensen dat wordt betrokken moet geen onhaalbaar en daarmee ontmoedigend doel op zich worden. Het is onrealistisch en onnodig om iedere jongere, patiënt, bewoner of anderszins betrokken burger altijd te vragen om een mening. Dat kost veel tijd, maar is ook vanuit het oogpunt van de doelgroep niet relevant. Belangrijker is het om zicht te houden op de diversiteit van meningen. Bovendien wil niet iedereen altijd ergens iets van moeten vinden. Mensen willen het gevoel hebben dat er naar hen geluisterd wordt als het nodig is.

Het maakt niet uit naar hoeveel mensen je luistert. De graadmeter is dát er wordt geluisterd.

3.     We weten al wat ze vinden

Is jouw organisatie al bekend met de mening van de doelgroep? Vaak horen we dat het niet nodig is om te luisteren, omdat men al weet wat de inwoners, studenten of bewoners zullen zeggen. Maar is dat een goede reden om niet opnieuw te hoeven luisteren? Het gaat bovendien niet alleen om de opbrengst van een gesprek, maar ook om het gesprek zelf. Aannames over de doelgroep vertellen zelden het hele verhaal en zowel de uitvoering als de praktijk veranderen voortdurend. Je hebt dus geen specifieke aanleiding nodig om op zoek te gaan naar feedback. Zo kun je klachten of onduidelijkheden zelfs voor zijn. Als je niets nieuws hoort, kan dat bovendien ook aan de vraag liggen; misschien vraag je zelf wel te veel naar de bekende weg?

Het maakt uit dát er om feedback wordt gevraagd, ook als dat een bevestiging geeft van wat je al wist. Blijf mogelijkheden scheppen om tot inzichten te kunnen komen die je verrassen.

4.     De procedure laat daar pas op een ander moment ruimte voor

Er worden binnen de publieke sector allerlei processen ingericht om burgers aan het woord te laten. Maar zodra processen verworden tot procedures verdwijnt de flexibiliteit en is er een risico dat alles wordt dichtgetimmerd. In veel procedures, denk bijvoorbeeld aan tevredenheidsmetingen, enquêtes, inspraakmomenten, klachtenprocedures of medezeggenschap, wordt formeel aangegeven wanneer de momenten zijn waarop er gesproken mag worden. Maar sommige bewoners willen liever vóór de beleidswijziging hun ideeën meegeven. Studenten kunnen er meer aan hebben als ze van tevoren, in plaats van na afloop, kunnen aangeven wat ze nodig hebben en sommige mensen willen niet wachten met het doen van hun verhaal tot de zitting van een klachtencommissie.

Het maakt uit wanneer je luistert. Luister wanneer dat nodig is (volgens jou of volgens de doelgroep), niet alleen wanneer dat volgens een bepaalde procedure aan de orde is.

5.     Daar is geen tijd voor

Geen ruimte voor een spreekuur? Geen tijd in de les voor feedback van studenten? Geen ruimte in de agenda om aan te sluiten bij de vergadering van de medezeggenschapsraad? Hoewel tijd kan beperken om te luisteren, is het geen excuus. Zijn er niet altijd manieren te vinden die minder tijd vragen? Gesprekken bij de koffieautomaat, verhalen opvangen in de wandelgangen en een online spreekuur bijvoorbeeld. Je vangt al heel veel op tijdens het ‘normale werk’. De kunst is om dat vervolgens te analyseren en te benutten. Wanneer je eerder kennis neemt van wat er speelt, scheelt dat ook tijd. Beleid dat niet goed ontvangen wordt of een keuze die leidt tot een regen aan klachten, bezwaarschriften of andere procedures kost veel meer tijd.

Het maakt uit of er tijd wordt gemaakt om te luisteren en of je manieren vindt om dat wat je hoort ook te benutten. Op de langere termijn kan dat zelfs tijd schelen.

6.     Dan denken ze dat ze hun zin krijgen

In onze gesprekken met bestuurders, beleidsmakers, juristen en andere professionals bespeuren we regelmatig de angst dat wanneer er naar mensen wordt geluisterd ze het idee zouden kunnen krijgen dat ze hun zin krijgen. ‘Je moet ze geen valse hoop geven’, ‘ik wil geen valse verwachtingen wekken’, of ‘ik kan het niet mooier maken dan het op papier is’ zijn uitspraken die we geregeld horen. Onze ervaring als onderzoekers leert ons dat de meeste mensen heel goed kunnen begrijpen dat hun opmerkingen niet direct tot beleidswijzigingen zullen leiden.

Het serieus nemen van de specifieke context en individuele behoeften is niet hetzelfde als het inwilligen van alle wensen. Het is mogelijk om mensen te laten zien dat hun klachten, signalen en opmerkingen ertoe doen en samen te verkennen waar wél of geen ruimte is voor verandering. Burgers voelen zich betrokken als zij als volwaardige gesprekspartner behandeld worden. Dus niet alleen als zij informatie ontvangen, maar ook als zij input mogen leveren die het proces en eindresultaat mede bepalen.

Het maakt uit of betrokken burgers mee kunnen praten. Dat geeft geen valse hoop, maar laat juist zien dat ook hun belangen ertoe doen.

7.     Ze begrijpen niet waarover het gaat en hebben allerlei emoties.

Emoties kunnen hoog oplopen in gesprek met de doelgroep. Niet alles wat gezegd wordt is altijd redelijk, weloverwogen of zakelijk. Dat kan onprettig gevonden worden, maar diskwalificeert het ook? Achter elke emotie schuilt een gefrustreerde behoefte. En de zorgen, emoties en percepties van burgers over beleid zijn nu eenmaal niet puur zakelijk. Dat is het grote verschil met de professional voor wie de beleidsbeslissing vaak puur professionele consequenties heeft. Daarbij denkt een student, inwoner, patiënt of rechtzoekende inderdaad vaker vanuit de eigen leefwereld en overziet niet als vanzelfsprekend het gehele plaatje. Maar de vraag is ook of dit nodig is. Wat interessant is, is hun kijk op en ervaring met het beleid en de praktijk. Het maakt hun verhalen niet minder relevant. Bovendien is het een kans om uit te leggen wat er zich achter de schermen allemaal afspeelt.

Het maakt uit dat je naar de ervaringen van betrokkenen luistert. Emoties of frustraties laten zien hoeveel invloed het beleid heeft op hun levens.

8.     Het beleid ligt al vast

“Mensen kunnen niet bij ons terecht als ze niet voldoen aan de vaststaande criteria.”
Er zijn in de publieke sector verbazingwekkend veel mensen die beleid lijken te zien als een vaststaand gegeven. Of iets dat komt van ‘hogerop’. Vanuit dat perspectief bekeken worden sommige onderwerpen onbespreekbaar. Als iets onveranderlijk lijkt hoeft er immers niet te worden geluisterd naar wat mensen ervan vinden. Laat staan dat het nodig is om met open vragen te informeren naar hoe iets bevalt. Terwijl beleid natuurlijk altijd door mensen is gemaakt en door mensen zal worden veranderd. Of het nu gaat over definities (wat is de ‘pensioenleeftijd’; waar ligt een ‘inkomensgrens’; wat bepaalt de ‘gezinssamenstelling’ en waar ligt de ‘gemeentegrens’) of over aannamen (‘een boete leidt tot betere regelnaleving’; ‘schulden boven dit bedrag worden problematisch’) het zijn allemaal subjectieve uitkomsten van tijdspecifieke, politieke keuzeprocessen. Ze sluiten naadloos aan bij de beleidswereld maar kunnen botsen met de leefwereld. Dat maakt dat laatste niet minder belangrijk of echt. Integendeel, juist dat verdient het om te worden opgevangen en gehoord. Kennis van de leefwereld is essentieel voor de kwaliteit van het beleid en de uitvoering (en van de democratische rechtsorde).

Het maakt uit of men zich in de publieke sector bewust is van de subjectiviteit van het beleid, dat vergroot de bereidheid om te luisteren.

9.     Wat zegt een enkel verhaal?

In veel publieke sectoren is de nadruk de laatste jaren erg sterk komen te liggen op evidentie, generaliseerbaarheid en big data. Het adagium daarbij: hoe meer hoe beter. Dat kan belangrijke inzichten opleveren, maar is nooit het hele verhaal. Er zijn ook vragen én antwoorden die door een te grote nadruk op grote aantallen en representativiteit te weinig aandacht krijgen. Met de dooddoener ‘een n=1 verhaal’ wordt veel te vaak nuttige, zinnige of belangrijke informatie terzijde geschoven. Enkele verhalen kunnen bijvoorbeeld, wanneer ze rijk genoeg zijn, wel degelijk inzichten bieden die breder opgaan. Niet zozeer als antwoord op vragen als: hoeveel kinderen gaan er tijdelijk niet naar school of hoeveel leerkrachten voelen zich kwetsbaar? Maar wel om inzicht te krijgen op kwesties als: wat kunnen redenen zijn waardoor kinderen niet naar school gaan of wat kunnen scholen doen om gevoelens van kwetsbaarheid van leerkrachten te verkleinen? Daarbij horen we ook vaak dat het altijd dezelfde mensen zijn die zich uitspreken. Maar maakt het feit dat die groep niet representatief is, de feedback minder waardevol? Het is aan jou om de signalen te analyseren en ook andere geluiden op te zoeken.

Het maakt uit wat je hoort, ook al is dat niet het hele verhaal. Het is aan jou om het verder te onderzoeken.

10.  We merken geen behoefte

“De deur staat open, maar ik hoor niks,” krijgen we geregeld te horen. Het uitblijven van reacties, klachten of ideeën is niet per se een teken van een gebrek aan betrokkenheid. Misschien is het verder zoeken naar de goede vorm. Of zijn de juiste vragen nog niet gesteld. Soms ook is het beeld bij mensen dat het toch geen zin heeft om mee te praten te hardnekkig. Beleid gaat hen aan. Ze moeten zich alleen wel uitgenodigd en uitgedaagd voelen om mee te praten. Laat je daarom niet ontmoedigen, blijf zoeken naar wat wél werkt en houd de deur vooral open.

Het maakt uit of je de deur openzet en mensen uitnodigt om van zich te laten horen. Daarmee laat je zien dat andere stemmen ertoe doen en zullen mensen als dat nodig is eerder van zich laten horen.

Conclusie

En? Zit er tussen deze tien excuses een die jou of je collega’s wellicht ook hindert in het luisteren? Kun jij je voorstellen dat je, misschien zonder het te weten, een van deze redenen over het hoofd hebt gezien?

Zeker in een tijd van verminderd direct contact is luisteren essentieel. Je werkt misschien meer op afstand, komt je doelgroepen waarschijnlijk minder vaak tegen en hoort minder. Het is dan nog belangrijker om te denken in mogelijkheden en kansen. Opgehaalde inzichten, mogelijkheden en ervaringen van de doelgroep helpen om in het beleid rekening te houden met de verschillende perspectieven van belanghebbenden. Ook als je er niet (direct) iets mee doet, versterkt het de relatie en betrokkenheid met de achterban. Het vergroot de kwaliteit en het bestaansrecht van publieke diensten en organisaties als je aan kunt sluiten bij mensen voor wie je het beleid maakt en uitvoert. Bovendien gaat dat wat gebeurt in de de publieke sector, anderen aan. Beslissingen, keuzes en beleid worden genomen in het belang van jongeren, ouderen, patiënten, klagers, bewoners, medewerkers en belangengroepen.

Wie niet goed luistert, zet zichzelf buitenspel. Wie luistert en in verbinding staat met de doelgroep kan beter inspelen op behoeften en kan contact maken wanneer dat nodig is. Door goed te luisteren én te leren van je doelgroep zorg je dat je werk relevant blijft en écht bijdraagt.

Dit artikel is verschenen op Overheidincontact.nl

Auteurs: Manja Bomhoff & Marjolein de Jong.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Taalkracht

‘Wil je de wereld veranderen, begin dan bij de taal.’

‘De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld.’ – Ludwig Wittgenstein

Woorden scheppen werkelijkheid. Onze taal is ons denken, ons handelen. In deze tijd zien we veel gedoe over taal. Woorden zijn beladen geraakt, er komen nieuwe woorden die ook weer voor ophef zorgen. Taal kan vernieuwing stimuleren en belemmeren. Wanneer en waarom maken we ons eigenlijk druk om de woorden die we gebruiken?

Socioloog Christien Brinkgreve en de andere schrijvers van Taalkracht zien overal taalgebruik veranderen. Financiële taal neemt andere domeinen over zoals het onderwijs en de zorg, de DSM is de dwingende taal geworden in de psychiatrie, organisaties drukken zich uit in verhullende taal, musea moeten op eieren lopen als ze woorden zoeken bij hun beelden. Zij gaan op zoek naar taal die rechtdoet aan onze ervaringen, taal die ons niet insnoert in het heersende vertoog.

In Taalkracht presenteert een rijk palet van schrijvers betekenisvolle taalverschuivingen. Taalkracht waarschuwt en enthousiasmeert, roept op en geeft duiding. Een boek voor iedereen die beter wil begrijpen hoe woorden onze werkelijkheid maken en breken.

Christien Brinkgreve is emeritus hoogleraar Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht. Naast haar universitaire werk heeft ze altijd geschreven voor een breder publiek. Ze schrijft over gevoel, gedrag en moraal, bekijkt deze in de context van de tijd en onderzoekt welke, vaak verborgen, eisen aan mensen worden gesteld.

Eric Koenen studeerde sociale wetenschappen, economie en bedrijfskunde aan onder meer de Radboud Universiteit Nijmegen en de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij is voortzitter Raad van Commissaris bij Lefier en is sinds 2007 de eigenaar van de Doorwerthgroep.

Sanne Bloemink is freelance schrijver en journalist. Ze studeerde rechtsfilosofie aan de Universiteit van Amsterdam en journalistiek aan de New York University. Ze was werkzaam als advocaat en juridisch adviseur en focust zich nu op schrijven over zorg, wetenschap en technologie.

Met een inleiding van Paul Verhaeghe en bijdragen van Sanne Bloemink, Manja Bomhoff, Christien Brinkgreve, Rineke van Daalen, Trudy Dehue, Adriaan van Dis, Martine Gosselink, Maria Groen-Blokhuis, Daan Heerma van Voss, Branko van Hulst, Raoul de Jong, Eric Koenen, Elize Lam, Willem Oerlemans, Jim van Os, Bram de Ridder, Floortje Scheepers, Peter Henk Steenhuis, Paul Verhaeghe, Marian Verkerk, Liesbeth Woertman en Yvonne Zonderop.

Het boek is uitgegeven door ISVW
Druknummer: 1
Aantal blz: 176
Verschijningsvorm: Luxe paperback
NUR: 730
ISBN: 978-94-92538-72-7

Cliëntenraden moeten volgens de nieuwe wet ervaringen van patiënten inventariseren.
Een nieuwe medezeggenschapswet in de zorg

Met wie spreekt u het liefst over uw belevenissen in een bepaalde zorginstelling in de hoop dat de organisatie er wat aan heeft? Met een groep betrokken en goed geïnformeerde vrijwilligers? Sinds vorige week weten we zeker dat we in 2020 een nieuwe medezeggenschapswet (Wmcz) in de zorg krijgen. Volgens die wet gaan cliëntenraden de wensen en meningen van cliënten inventariseren. De zorginstelling moet hen hierbij helpen. Is dat ook wat u voor ogen had?

Of wilden we niet vooral dat bestuurders zélf beter gingen luisteren? In het recente advies ‘Blijk van vertrouwen- Anders verantwoorden voor goede zorg’ laat de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) goed zien hoe lastig dit kan zijn. Verantwoordingsdruk zit goed luisteren en daarvan leren vaak in de weg. De RVS onderstreept de noodzaak om juist de stem van individuele patiënten meer te betrekken. Cliëntenraden kunnen daarom beter de bestuurder helpen dan andersom: luisteren kun je niet uitbesteden.

Lees meer