n=1 complex

Zo kom je af van je N=1-complex

In veel publieke sectoren is de nadruk komen te liggen op evidentie, generaliseerbaarheid en big data. Individuele ervaringen tellen niet. Maar wanneer de dooddoener ‘een n=1-verhaal’ wordt uitgesproken kan het zijn dat er belangrijke informatie terzijde wordt geschoven.

De gezondheidszorg dient vaak als voorbeeld. In deze sector gold lange tijd: hoe meer data hoe beter. Soms is deze manier van denken heel nuttig. U profiteert hierdoor bijvoorbeeld, wanneer u naar uw huisarts gaat, niet alleen van haar kennis maar ook van de geaggregeerde kennis van haar collega’s. Bij beleid(-sevaluaties) wordt daarom vooral gezocht naar wat werkt voor grote groepen mensen, niet alleen naar wat werkt voor de mensen die het hardst roepen.

Doorgeslagen

Maar wanneer individuele ervaringen er niet meer toe doen wordt in potentie nuttige informatie genegeerd. Er wordt niet meer naar mensen geluisterd. Zo missen we informatie uit meer gedetailleerde verhalen over complexere situaties of processen. Informatie die niet generaliseerbaar is voor een grotere groep, maar toch inzichten kan opleveren die voor meer mensen van waarde zijn. In het boek ‘Weten vraagt meer dan meten’ leest u welke gevolgen dat kan hebben.

Kwalitatieve analyse

In het dagelijkse werk mag het N=1-complex best wat vaker opzij worden geschoven. Als iets niet vaak voorkomt, of u het nog niet vaak heeft gehoord wil dat niet zeggen dat het geen analytische aandacht verdient. Sommige klachten bijvoorbeeld hoort u maar één keer, maar kunnen toch van onschatbare waarde zijn. Gouden klachten: omdat ze inzicht geven in een ander perspectief, laten zien hoe iets kan overkomen, waarschuwen voor een structurele tekortkoming etc.

Publieke organisaties gebruiken steeds vaker kwalitatief onderzoek, bijvoorbeeld om verhalen te verzamelen. Maar te vaak nog wordt die methode alleen als ‘extraatje’ ingezet of vooral vanuit communicatieoogpunt gebruikt (‘persoonlijke verhalen trekken immers in teksten de aandacht’). Daarbij wordt de analytische stap vaak overgeslagen.

Tot ziens

Een verpleegkundige vertelde dat een bewoner met chronische pijn en vermoeidheid werd gevraagd hoe de zorg voor haar beter kon. Na veel aandringen gaf de bewoner één suggestie. Ze vond het naar dat mensen haar bij het verlaten van haar appartement iedere keer een ‘fijne dag’ wensten. Ze had namelijk zelden nog écht fijne dagen en hoorde dus liever ‘tot ziens’ dan een onbereikbare wens. Is dit een n=1 verhaal? Jazeker! Maar heeft het daardoor slechts betrekking op één iemand en daarmee beperkte waarde? Nee, zo’n opmerking nodigt juist uit tot verder nadenken en verder onderzoek.

In ‘Inspecteurs over hun vak’ komen elf inspecteurs aan het woord over het inspectievak. Dat zijn er niet veel. En toch geven ze met elkaar een waardevol inkijkje in de dilemma’s, overwegingen, uitdagingen die ze zoal tegenkomen. Is dat volledig? Weten we nu wat alle inspecteurs vinden of meemaken? Nee, zeker niet. De ervaringen van de inspecteurs geven door de gedetailleerdheid stof tot nadenken en gesprek. Hier heeft de hele organisatie wat aan.

Verder onderzoek

N=1 is daarom niet het eindpunt maar het startpunt voor verder onderzoek. Stelt u zichzelf ter oefening de volgende keer dat u uw n=klein-complex opmerkt om te beginnen eens de volgende vragen:

  • Waarom voelde iemand de neiging om dit verhaal te vertellen?
  • Welke betekenis heeft dit verhaal voor de verteller?
  • Wat zegt dit ons?
  • Wat vind ik ervan als dit zich heeft voorgedaan?
  • Als dit voor deze persoon geldt, wat zou dit dan kunnen zeggen over andere gevallen?
  • Als dit voor anderen zou gelden, zouden wij dit dan (kunnen) horen?
  • Zou het de moeite waard zijn om uit te vinden of ditzelfde verhaal ook voor anderen geldt?

Deze en veel andere vragen zijn de moeite waard om vaker te stellen. Ze vormen voor Het Inzichtenlab een rode draad in onze onderzoeken. Dat kun je bijvoorbeeld terugzien in onze evaluaties van de klachtbehandeling bij Defensie of van particuliere bewindvoering. Ze vormen ook een belangrijke pijler onder ons werk op het gebied van leren van klachten.

De publieke sector kan alleen beter worden als er oog is voor verschillende perspectieven. Dat kan alleen als n=1-ervaringen op waarde worden geschat.

 

Evalueren kan op zoveel manieren. De ene evaluatie is de andere niet. Het doen van onderzoek of het evalueren van beleid wordt nog al te vaak gepresenteerd als een soort neutrale bezigheden. Terwijl het  processen zijn waarin constant keuzes worden gemaakt en belangen worden afgewogen. Sommige van die keuzes zijn onderwerp afhankelijk. Maar er zijn ook keuzes die van te voren en gedurende het onderzoek gemaakt moeten worden. Om binnen de, vaak complexe context, zoveel mogelijk waarde te kunnen toevoegen. Die keuzes hebben vaak te maken met het doel van de evaluatie. Onze evaluaties zijn vaak gericht op het leren of verbeteren. In dit artikel laten we zien wat voor keuzes daar volgens ons zoal bijhoren. Onze evaluatie van de klachtbehandeling bij Defensie gebruiken we hierbij als een voorbeeld

Aansluiten bij betrokkenheid

Als het doel van evalueren is om er beter van te worden, dan moet je aan sluiten bij de mensen die het echte werk doen. Alleen zo respecteer en vergroot je hun betrokkenheid. In het geval van klachtenbehandeling zijn dat dan bijvoorbeeld: de mensen die klachten behandelen. Maar ook de mensen die klagers, beklaagden of betrokken leidinggevenden bijstaan of adviseren. Zij zijn immers degenen die de verbeteringen daadwerkelijk doorvoeren. Ook lang nadat de onderzoekers hun rapport hebben opgeleverd. Deze insteek heeft belangrijke consequenties voor hoe onze evaluatieonderzoeken worden opgezet. Ze zijn toekomstgerichtheid en met aandacht voor de belangen en waarden van de betrokkenen en de organisatie.

Daarnaast kan uiteraard geen enkel beleid worden geëvalueerd zonder de ervaringen van de mensen voor wie het beleid bedoeld is centraal te stellen. In dit geval waren dat de klagers en beklaagden bij Defensie.

Een dynamisch perspectief

Het is onze ervaring dat een dynamisch perspectief (een ‘film’ in plaats van een ‘foto’) meer betrokkenheid en waardevolle inzichten oplevert. Dynamisch evalueren betekent dat we aandacht geven aan waar de organisatie vandaan komt. Maar we kijken daarnaast ook naar hoe de organisatie zich heeft ontwikkeld. Hoe de organisatie verder open kan staan voor verbeteren en leren. Voor de mensen die dagelijks met het onderwerp bezig zijn is het belangrijk dat hun werk in deze context wordt gezien.

Het gaat daarbij niet om het opleveren van een zo precies mogelijke omschrijving van gebeurtenissen uit het verleden. Een evaluatie die vooral terugkijkt en gericht is op waarheidsvinding of verantwoording roept vaak nóg meer terugkijken op. Dat is meestal niet bevordelijk voor de zelfreflectie. Zulke reacties kosten een organisatie veel energie en leveren weinig op. Een evaluatie die recht doet aan de belangen en waarden van betrokkenen, leidt over het algemeen tot meer herkenning, meer reflectie en meer motivatie om te blijven leren.

Wij beginnen evaluaties daarom altijd met de waarom-vraag. Wat had het beleid als doel? Welke verschillende visies lagen eronder ten grondslag en hoe verhouden die zich tot elkaar?

Wat is ‘goed’ en wat niet?

Wanneer we hopen dat de mensen binnen een organisatie verder kunnen met een evaluatie is het belangrijk dat we als onderzoekers niet doen alsof slechts wij de waarheid in pacht hebben. Ons past, als passerende buitenstaanders immers ook enige bescheidenheid. Dat uit zich niet in een gebrek aan lef of oordeel. Wat ons betreft krijgt onze bescheidenheid vooral vorm in openheid over de normatieve kaders die we gebruiken. Wat wat is ‘goed’ en wat niet? Wij vinden het belangrijk om kleur te bekennen en zorgvuldig in te gaan op het door ons gebruikte normatieve kaders.

Openheid over de normatieve kaders

Zo schreven we in het evaluatierapport voor Defensie: “Met zoveel verschillende perspectieven op klachtbehandeling zijn er ook verschillende ideeën over wat klachtbehandeling ‘goed’ maakt. Ook de vraag of Defensie een probleem heeft met klachtbehandeling en zo ja, hoe groot dit probleem is, kan beantwoord worden vanuit verschillende normatieve kaders. Er zijn veel manieren waarop klachtbehandeling ‘goed’ kan verlopen: variatie ontstaat door verschillende doelen, contexten en mensen. Er is dan ook niet een vaststaand evaluatieprotocol dat door middel van een vinklijstje simpel afgewerkt kan worden. Tegelijkertijd zijn er natuurlijk wel degelijk ideeën over wat wel en niet werkt en wat een goede, of zorgvuldige klachtbehandeling zou moeten inhouden. We onderscheiden in dit onderzoek drie normatieve kaders die elkaar deels kunnen overlappen:

  • beleidstheorie Defensie;
  • ombudsvisie professionele klachtbehandeling;
  • onafhankelijke geïnformeerde blik van evaluatoren

Een eerste normatief kader komt voort uit de verwachtingen en ideeën die binnen het ministerie leven over een ‘goede klachtbehandeling’. Wat verstaat het ministerie onder goede klachtbehandeling, waar wordt in de regeling en in relevante beleidsdocumenten de nadruk op gelegd en wat zegt het ministerie te willen bieden aan potentiële klagers en beklaagden? Dit kader is door documentstudie en door (groeps)gesprekken met sleutelfiguren geëxpliciteerd in een zogenaamde ‘reconstructie van de beleidstheorie’.
Als tweede kader dienen de rapporten van de Nationale ombudsman/Veteranenombudsman, inclusief zijn Ombudsvisie op professionele klachtbehandeling. In deze ombudsvisie geeft de Nationale ombudsman verschillende handvatten voor klachtbehandeling door overheidsinstanties.
Ten slotte vormt de onafhankelijke blik van ons, de evaluatoren, een derde kader. Dit kader is gevormd door wetenschappelijke inzichten over klachtbehandeling, inzichten uit de conflicthantering, theorievorming over vormen van rechtvaardigheid (ervaren procedurele rechtvaardigheid en distributieve rechtvaardigheid) en inzichten over leren en lerende organisaties. Daarnaast worden in dit kader de verwachtingen van klagers en beklaagden in de praktijk meegenomen. Hun ideeën over hoe een goede klachtbehandeling eruit zou moeten zien, vormen evengoed een zinvol normatief kader. Waar mogelijk expliciteren we de verschillende normatieve kaders om mogelijke interpretaties duidelijk te maken en de lezer de ruimte te geven voor eigen oordeelsvorming.”

Kritisch, en met oog voor wat wél werkt

Van goede voorbeelden leert men vaak meer dan van verkeerde. Wij kiezen er daarom vaak voor om expliciet te zoeken naar inspirerende voorbeelden en deze ook een plek te geven. Dat laat onverlet dat er ook ruimte moet zijn voor de omschrijving van negatieve ervaringen of tekortkomingen. We stellen kritische vragen en vragen door. Vaak met de bedoeling om mogelijke vanzelfsprekendheden, gaten of discrepanties tussen de bedoeling en de uitwerking aan te wijzen. Niet met als doel om ‘de waarheid boven tafel te krijgen’. Veel interessanter dan een enkelvoudige waarheid zijn namelijk de verschillende waarheden van betrokkenen.

Erkenning van verschillen helpt bij het vergroten van de interesse in elkaars ervaringen. In het geval van onze evaluatie bij defensie gaven we bijvoorbeeld veel aandacht aan de ervaringen van klagers en beklaagden, maar ook aan de leidinggevenden en de verschillende adviseurs met een belangrijke ondersteunende rol. Het doel van het delen van deze ervaringen is dat betrokkenen eigen inzichten kunnen ontwikkelen over mogelijke verbeteringen.

Ervaringen analyseren

In onze evaluaties staan dus vaak de ervaringen met het proces centraal. Wij kijken naar die facetten van het proces die ervarings- en procesdeskundigen het belangrijkst vinden. Maar ervaringen worden niet één-op-één overgenomen. We analyseren op welke manieren facetten uit die ervaringen een rol kunnen spelen. Daarbij kijken we naar wat de uitwerking en betekenis van bepaalde ervaringen kunnen zijn.

Sommige evaluaties richten zich met name op de beschrijving van procesindicatoren, waarbij er in het geval van klachtbehandeling bijvoorbeeld vooral wordt gekeken naar de wettelijk vastgestelde termijnen binnen de klachtbehandeling en in hoeverre deze zijn gehaald of overschreden.

In het geval van Defensie was er in eerdere rapporten (zoals die van de Nationale ombudsman/Veteranenombudsman en van de commissie-Giebels) al meerdere malen geconstateerd dat die binnen Defensie vaak werden overschreden. Het wordt dan bijvoorbeeld interessanter om te begrijpen wat de overschrijding van een termijn kan betekenen voor ervaringsdeskundigen, hoe procesdeskundigen ertegenaan kijken en welke factoren (mogelijk) een rol spelen bij de tijd die het kost om binnen Defensie klachten af te handelen. Deze antwoorden bieden de organisatie meer handvatten om te zoeken naar constructieve (en vooral ook bij de organisatie passende) strategieën. Zo een evaluatie streeft daarmee naar representativiteit op het niveau van factoren die van invloed zijn op de ervaring van klachtbehandeling. Niet op het niveau van het proces.

Onafhankelijk én dichtbij

Omdat betrokkenheid niet spontaan ontstaat na afloop van een onderzoek voeren we onze evaluatieonderzoeken het liefst zo dicht mogelijk op de organisatie(s) uit. We leggen tussentijdse bevindingen zoveel mogelijk voor aan bijvoorbeeld een interne begeleidingscommissie, om hen mee te nemen in de aanpak en de uitkomst van het onderzoek. We luisteren naar de reacties die tussentijdse bevindingen en keuzes oproepen en laten commissieleden hardop meedenken over wat hen belangrijk of productief lijkt.

Dat laat onverlet dat we ons volkomen vrij opstellen in het opschrijven van de bevindingen en de methodologische (on)mogelijkheden. Overigens kiezen we daarnaast ook graag voor de installatie van een externe leescommissie, zeker wanneer het onderwerp complex is of (politiek) gevoelig ligt. Dit helpt ons te reflecteren op het proces en de inhoud en kan ons, waar nodig, sterken in onze onafhankelijkheid ten opzichte van de opdrachtgever.

Aanbevelingen in dialoog opgesteld

Ook bij het opstellen van aanbevelingen zoeken we nadrukkelijk de dialoog met verschillende gesprekspartners binnen de organisatie. Zo gaf Defensie vanaf de start van het onderzoek aan op zoek te zijn naar handelingsperspectieven om de klachtbehandeling te verbeteren en te kunnen leren. Daarom gaven we in onze rapportage inzicht in de ervaringen van de ‘deelnemers’ in de klachtenprocedure. We lieten zien waar het schuurt en waar de verschillende perspectieven elkaar, in positieve en negatieve zin, versterken. In de aanbevelingen richtten we ons vooral op de vraag hoe deze perspectieven beter op elkaar zouden kunnen gaan aansluiten en onderstreepten we de urgentie daarvan. We zagen ook af van bepaalde aanbevelingen waarvan we dachten dat die de aandacht af zouden leiden van de belangrijkste zaken. Zo gaven we expliciet aan dat we dachten dat een procedurewijziging onnodig was en onproductief zou kunnen uitpakken. In de interactie tussen onderzoekers, ambtenaren en bestuurders is het vervolgens altijd wat zoeken naar hoe aanbevelingen zullen worden geïnterpreteerd en opgepakt. Als onderzoekers proberen wij hier op een open wijze en passend bij onze specifieke rol een productieve invloed op uit te oefenen: daar hoort vaak ook enige nazorg bij in de vorm van presentaties, discussies of adviessessies. Maar uiteindelijk hoort bij leren ook eigenaarschap. Het is aan de organisatie zelf om de vervolgstappen te zetten.

 

 

 

 

 

Krantje
Het jaarlijkse Toezichtfestival

Vandaag, 24 maart, zou het jaarlijkse Toezichtfestival worden gehouden. Een interessant evenement dat Bureau Inspectieraad organiseert voor toezichthouders van (rijks)inspecties en waar mooie ontwikkelingen en vragen met elkaar worden gedeeld. Het is ieder jaar een mooie gelegenheid om met verschillende inspecteurs in gesprek te gaan. Zo bespraken we vorig jaar tijdens een workshop de mogelijkheden om (waarderend) in gesprek te gaan met ondertoezichtstaanden.

Een krantje over onderzoekende inspecteurs

Wij hadden het plan om tijdens het Toezichtfestival een inkijkje te geven in ons lopende project. ‘Aandacht voor wat werkt’ is een actieonderzoek met, en over, inspecteurs.  We maakten daarom een  krantje waarin we laten zien welke vragen de inspecteurs uit ons project hebben verkend en wat dit heeft opgeleverd.

Nou komt er vast nog een andere gelegenheid om die inspecteurs en hun bijzondere onderzoeken aandacht te geven. Maar toch nu alvast een klein berichtje. Starten bij vragen die inspecteurs zelf hebben over hun werk en de effecten van hun toezicht levert namelijk echt bijzondere inzichten op. Zowel op het uitvoerende niveau van de inspecteurs zelf als meer conceptueel waarbij het gaat over vragen over impact en betekenisvolle verantwoording.

Nu wachten we eerst op rustigere tijden en wensen we u allen sterkte en gezondheid. En gelukkig, deze post bederft niet. Maar mocht u het krantje alvast (digitaal) willen ontvangen, neemt u dan vooral contact met ons op.

Wat bedoel jij met effect?

Wat bedoel jij met effect?

Het valt ons op dat er nog wel eens langs elkaar heen wordt gesproken wanneer het in een organisatie gaat om effect. De een heeft het vooral over het meten van effect. De ander meer over de vraag wat zin heeft. Een derde wil vooral weten wat er gedaan moet worden.

Ook zijn er verschillende ideeën over waar naar gekeken zou moeten worden: De een kijkt bijvoorbeeld naar een deel van het proces, terwijl de ander misschien vooral wil kijken naar het eindresultaat. De een is benieuwd naar de korte, de ander naar de langere termijn. En de een wil vooral focussen op het merkbare en de ander houdt het liever bij het meetbare.

Duidelijkheid is een belangrijke voorwaarde

In effectonderzoek is het allereerst belangrijk dat je met elkaar duidelijkheid hebt over waarom je het eigenlijk over effect wil hebben. Pas daarna kun je zinnig gaan nadenken over hoe dat er dan uit zou moeten komen te zien. Eerder al schreven we deze blog over hoe het onderzoeken van effect om maatwerk vraagt. Nu hebben we, op basis van jullie opmerkingen en reflecties ook een opzet gemaakt voor een praatplaat: “Wat bedoel jij met effect?”. Zie het bijgevoegde document.

Wat bedoel jij met effect?

Wat bedoel jij met effect (Download pdf)

De plaat en de bijbehorende vragen (zie de pdf) zijn nog work-in-progress. We gaan er binnenkort weer verder over gesprek in één van de deelnemende inspecties aan ‘Inspecteurs over hun vak’

Wat denkt u: Zou iets als het bijgevoegde kunnen helpen om zo’n gesprek met elkaar te voeren? Wat zou er wel of niet goed kunnen werken? Mist er iets, of brengt dit op andere ideeën? Bijvoorbeeld voor een andere fase in het gesprek over, of het in kaart brengen van, effect? Wij vinden het vooral belangrijk dat het gesprek hierover op een zinnige manier gevoerd wordt. Professionals, zo is onze indruk, verliezen eigenaarschap en betrokkenheid wanneer er teveel langs elkaar heen wordt gepraat.

 

Manja Bomhoff
Yvonne van der Vlugt

 

**Mogen wij u vaker met dit soort inzichten inspireren? Ontvang een paar keer per jaar onze Inzichtenmail.**

Onderzoeksproces

“Wat is de definitie van ‘professionaliseren’? We kunnen toch niet zomaar onze eigen definitie gebruiken?”

Er is een bepaald beeld van wat onderzoek is. Dat geldt in het algemeen maar heeft ook zijn weerslag op onderzoek in de publieke sector. Veel van ons hebben over dit soort onderzoek geleerd als ‘de gouden standaard’ of écht onderzoek. Op allerlei manieren beïnvloedt dit beeld van ‘echt onderzoek’ hoe we kijken naar andere dingen. Zoals naar wie het voor het zeggen heeft, wanneer, en waarom.

Die dominante visie is ons ooit aangeleerd, maar wordt daarnaast dagelijks bevestigd en herhaald. In de krant, op het werk en in de tweede kamer, overal.

Terwijl de publieke sector juist ook een andere vorm van onderzoek nodig heeft.

Dat er ook andere ideeën zijn is lang niet bij iedereen bekend. Lang niet iedereen weet bijvoorbeeld dat die ideeën in andere, minder bekende hoeken van de wetenschap uitgebreid zijn doordacht. (Bijvoorbeeld in de antropologie, in gender studies, of in de wetenschapsfilosofie). Ook is lang niet iedereen op de hoogte van wat die verschillende ideeën in de praktijk voor consequenties kunnen hebben.

Het dominante beeld van onderzoek

Wij merken dagelijks hoe sterk dat dominante beeld is. Hoeveel invloed het heeft, ook op onderzoek in de publieke sector. We zien het bijvoorbeeld aan hoe er alsmaar wordt gezocht naar experts. Bijvoorbeeld om van te leren wat de definitie van ‘professionaliseren’ is. Maar het is ook te merken wanneer het gaat over hoe effecten pas echt zijn als ze gemeten, niet opgemerkt, worden. Of wanneer er weer verwacht wordt dat onderzoek ons universele waarheden zal vertellen. Terwijl we tegelijkertijd ook horen dat het altijd in de la verdwijnt.

 

Dominant beeld van onderzoek

Het dominante beeld van onderzoek

Volgens het standaard beeld van onderzoek gaat het om:

  • Een duidelijke onderzoeksprocedure met een van te voren vastgestelde route
  • Een vaststaande en leidende onderzoeksvraag
  • Een uitvoering door externe experts
  • Hoe meer informatie hoe beter (n=groot)
  • Meetbare informatie die een antwoord geven op de onderzoeksvraag
  • Een duidelijke afsluiting met een rapport of een ander (van te voren vastgesteld) eindproduct
‘Ons soort’ onderzoek

Dat wij het anders doen mag duidelijk zijn. Uit onze ervaring weten we dat de complexiteit in het publieke domein andere vormen van onderzoek nodig heeft. De dominante vorm van onderzoek laat te weinig ruimte voor verschillende perspectieven, en stelt te weinig vragen bij vanzelfsprekendheden in het beleid.

Wij hebben geleerd en ervaren dat onderzoek ook verbindend kan werken. Wanneer er oog is voor (liefst meer gedeeld) eigenaarschap en het proces aansluit op wat er nodig is. Gezamenlijke reflectie is veel te belangrijk om helemaal uit te besteden.

 

Onderzoeksproces

‘Ons soort’ onderzoek

Kenmerken van ‘ons soort’ onderzoek voor de publieke sector zijn bijvoorbeeld:

  • Onderzoek als zoektocht met een flexibel proces
  • Door eigen én externe ogen, gebruik makend van verschillende expertises (expert, ervaring, deskundig etc.)
  • Nabijheid staat onafhankelijkheid niet in de weg
  • De N doet er minder toe dan de rijkdom van de informatie
  • Het onderzoeksdoel is leidend
  • Plausabiliteit is belangrijker dan causaliteit; merkbaar belangrijker dan meetbaar
  • Verwachte en gewenste impact bepalen de vorm van de ‘producten’.

In opdrachten wordt ons nog wel eens gevraagd onze visie op onderzoek toe te lichten. Dat gebeurt bijvoorbeeld nog wel eens wanneer we in interviews. Pas nog vroeg een geïnterviewde “Maar jullie zijn toch de onderzoekers?”, nadat we hadden gevraagd wat volgens de geïnterviewde zelf het belangrijkste punt was. Ook opdrachtgevers die ons speciaal kiezen vanwege onze aanpak en resultaten, hebben soms wat extra duiding nodig van de achterliggende onderzoeksvisie. Zeker wanneer dit hun eerste kennismaking met een ‘ander soort onderzoek’ is. Het kan voor opdrachtgevers best uitdagend zijn om om te gaan met de flexibiliteit die nodig is voor een zo zinnig mogelijk onderzoek. Als niet alles van te voren vast staat, vergt dat een andere instelling dan men meestal gewend is.

In gesprek over onderzoek

De figuren maakten we om een paar van de verschillen duidelijk te maken. Werken ze ook voor u? Ze helpen ons om verwachtingen te bespreken en af te stemmen. Natuurlijk kunnen we ook het achterliggende wetenschapsfilosofische verhaal vertellen: over het onderscheid tussen verschillende onderzoeksparadigma’s (van positivistisch, post-positivistisch tot constructivistisch en kritische theorie). We merken echter dat niet iedere opdrachtgever daarop zit te wachten.

Uiteraard staat ‘ons soort’ onderzoek niet in beton gebijteld. Ook in de flexibiliteit moet flexibiliteit zitten. Bij de ene vraag zit nou eenmaal meer ruimte voor het zoeken naar passende vormen dan bij de andere. En in de ene setting is het bijvoorbeeld gemakkelijker om verschillende typen experts te betrekken dan in de andere. Ook dat is maatwerk : het afwegen van verschillende belangen. Het overbrengen van de verschillende visies op onderzoek zien we als ‘work in progress’. Heel inspirerend maar niet ‘af’. We gaan er graag mee door omdat we zien welke consequenties de heersende visie heeft in de dagelijkse praktijk. Dat maakt het voor ons en onze opdrachtgevers steeds weer belangrijk om over door te praten.

 

Manja Bomhoff
Yvonne van der Vlugt

 

**Mogen wij u vaker met dit soort inzichten inspireren? Ontvang een paar keer per jaar onze Inzichtenmail.**