Zelf onderzoeken
Wat is voor jou als professional een belangrijke vraag?

Dat wij het belang zien van onderzoekende professionals is evident. Onze ‘Onderzoek het zelf’ aanpak is een heel bewuste keuze. Professionals met een vraag verdienen analytische aandacht. Het wordt nog veel mooier wanneer deelnemers zelf laten weten wat het doen van onderzoek bij hen teweeg brengt.

Wij merken hoe het voor de professionals die deelnemen aan onze trajecten soms al bijzonder is dat hen wordt gevraagd wat zij zouden willen onderzoeken. “Wat vind jij belangrijk en de moeite om nader te bekijken waard?” Het is een vraag die ze blijkbaar niet gewend zijn te krijgen. Sommige professionals schrikken en beginnen gelijk over hun gebrek aan onderzoeksachtergrond of laten op een andere manier onzekerheid blijken: onderzoeken is vast te ingewikkeld of te tijdrovend. “En misschien is er al wel lang een antwoord op mijn vraag, maar weet ik het gewoon nog niet”.

Onderzoek doen is emanciperend, inspirerend en gewoon leuk

Wij zien steeds weer dat wanneer deze hobbels eenmaal zijn genomen, het proces van onderzoek emanciperend en inspirerend werkt. Het zelf mogen bepalen van een onderzoeksfascinatie. Het, met ondersteuning, zelf bedenken van een aanpak die haalbaar is. Als die aanpak dan ook nog leidt tot het aangaan van nieuwe contacten, het spreken of interviewen van interessante mensen of het op een andere manier kijken naar een beleidsdocument, dan wordt duidelijk hoe ontzettend leuk en inspirerend het onderzoeken is.

Veel belangrijker dan wat wij zien is natuurlijk wat de deelnemers zelf hierover vertellen. Hoe zij als professionals met een vraag aankijken naar het onderzoek dat zij hebben uitgevoerd. We bundelden een paar uitspraken van deelnemeners aan ‘Aandacht voor wat werkt; Inspecteurs over hun vak‘ op een mooie poster gemaakt door onze vaste ontwerper Welmoet de Graaf. We maakten ook zo’n poster over meer inhoudelijke opmerkingen die ze maakten. De posters zijn een manier om de professionals te laten zien dat hun perspectief er toe doet, maar laten u ook meegenieten van hun mooie uitspraken.

Ruimte voor reflectie

“Het is zó druk er is geen ruimte om na te denken. Aan wat belangrijk is komen we haast niet meer toe”.

Merkt u het ook? Te veel publieke professionals bezwijken (bijna) onder de werkdruk. De afgelopen weken sprak ik iedere dag wel iemand die aangaf dat de druk niet te doen was: inspecteurs, een verpleegkundige, een gemeenteambtenaar, een beleidsmedewerker of onderwijzers. Wat me opvalt is dat de bevlogen professionals die ik de laatste tijd spreek allemaal graag twee dingen willen: Ze willen hun werk heel graag goed doen én ze willen ook nog eens heel graag het goede doen.

De trein dendert door

Interessant genoeg lijkt het zo te zijn dat hoe drukker het wordt, hoe meer de focus komt te liggen op het eerste: je werk goed doen: taken afmaken, verplichtingen nakomen, targets halen. De trein dendert door en de ‘moetjes’ stapelen zich op.

Maar om te kunnen nadenken over of wat je doet ook het goede is om te doen is ruimte nodig. Wat is het belangrijkste, het meest effectieve, het meest impactvolle? Vragen die niet alleen op een hoog abstractie niveau belangrijk zijn, maar juist ook passen bij het dagelijkse werk. Wat ging er goed de afgelopen tijd? Wanneer had ik het gevoel dat wat ik deed effect sorteerde? En op welke manier kom ik daar achter? Maar ook: wat voelt niet zinnig of nuttig? Waar zitten we vast in onze eigen vanzelfsprekendheden? Belangrijke vragen waar soms van wordt teruggedeinsd. Misschien voelt het te spannend. Wat zal er naar boven komen wanneer we serieus naar de inhoud van ons werk kijken? Of als we aan anderen vragen hoe zij het hebben ervaren? En hoe vinden we dan ook nog ruimte om daar vervolgens iets mee te doen?

Een consequentie of ook een oorzaak?

Maar is dat niet zorgelijk? Als we geen ruimte vinden om na te denken over waarom we doen wat we doen, wat gebeurt er dan? Wat doet het met de betrokkenheid, de gevoeligheid, het enthousiasme en het menszijn van publieke professionals? En welke consequenties heeft dat dan weer voor de kwaliteit van de dienstverlening en de aansluiting van de systeemwereld bij de leefwereld? Misschien is het gebrek aan ruimte voor inhoudelijke reflectie niet alleen een consequentie, maar ook een oorzaak voor de ervaren druk.

Ik moet bij dit onderwerp altijd aan het boek van Michael Ende denken: ‘Momo en de tijdspaarders‘. Een prachtig verhaal over volwassenen die zo druk aan de slag gaan met het sparen van tijd voor later dat ze vergeten te leven. Een aanrader voor groot en klein.

Michael Ende

Analytische aandacht

Ruimte voor inhoudelijke reflectie is een thema dat ons voorlopig nog vollop bezighoudt. Hoe vindt of creeër je die? Kan je ervoor zorgen dat reflectie niet uitmondt in navelstaarderij of inproductief gemopper? En dat het niet alleen gaat over de persoonlijke, emotionele kant, waarvoor bijvoorbeeld intervisie een waardevol instrument is. Maar juist reflectie op de publieke taak en de invulling daarvan, ookal zijn ze sterk met elkaar verweven? En vooral ook, hoe zorg je dat de publieke zaak er uiteindelijk beter van kan worden? Dat het niet vervliegt?

Ook Herman Tjeenk Willink signaleert in zijn boek ‘Groter denken, kleiner doen’ de urgentie van reflectie op de publieke zaak door professionals zelf.

Herman Tjeenk Willink

Wij zien ruimte voor reflectie als een onderwerp en vorm van onderzoek. Dat betekent dat we enerzijds deze processen op een gestructureerde, kritische wijze aanjagen, vaak in de vorm van actie-onderzoek. Anderzijds bekijken we de processen vervolgens ook als een onderwerp van onderzoek en maken de rode draden ook voor andere professionals, leidinggevende en bestuurders zichtbaar. We noemen dat graag het geven van analytische aandacht.

Maar nu terug naar u.  Heeft u, binnen uw organisatie, voldoende ruimte voor reflectie op het werk? Gebeurt dat op eigen initiatief of is die ruimte organisatorisch ingebouwd? Wat heeft u nodig om van een afstandje te kunnen kijken naar het werk dat u doet? En bespreekt u dit op analytische wijze met uw collega’s? Hoe maakt u daar ruimte voor?

Manja Bomhoff
Yvonne van der Vlugt

Onderzoekende professionals

Tien gouden regels voor onderzoekende professionals

Onderzoekende professionals. We hebben het er wel steeds over, maar hoe doe je dat eigenlijk: onderzoekend naar je eigen werk voor de publieke sector kijken? Het kan verwarrend zijn: Moeten we nu ‘onderzoekers’ worden? (Antwoord = Nee) Kan ik dat wel, zonder uitgebreide opleiding? (Antwoord = Ja). We stelden tien gouden regels op voor onderzoekende professionals. Bottomline: je blijft bovenal professional maar neemt een onderzoekende houding aan!

 

1. Jouw eigen ervaring en perspectief als professional is je grootste kracht.
Gebruik je unieke positie en alle ervaring en kennis die je hebt opgedaan. Gooi dat niet weg om ‘onderzoeker’ te worden, maar wordt een onderzoekende professional. Als professional ben je dagelijks in de praktijk werkzaam en weet als geen ander welke thema’s spelen, welke discussies er leven en welke vertaalslagen er gemaakt moeten tussen beleid en praktijk. Dat is jouw kracht.

2. Onderzoeken is leuk en inspirerend en moet dat vooral blijven.
Let dus op jezelf, qua tijd, qua taken, qua verantwoordelijkheden.

3. Begin bij wat jij belangrijk vindt.
Die dingen die je verbazen, irriteren, warm maken of waarvan je denkt dat anderen ze zouden moeten zien kunnen de perfecte basis vormen voor een goede onderzoeksvraag naar iets wat er écht toe doet. Probeer expliciet en eerlijk na te denken over je eigen verwachtingen, waarden, aannames en belangen en die van je organisatie. Als dit lastig is, benut hiervoor bijvoorbeeld gesprekken met collega’s om dit scherp te krijgen. Dat is nodig voordat je de volgende stappen kunt maken.

4. Benader je onderwerp vanuit oprechte nieuwsgierigheid.
Kijk vervolgens hoe je het onderwerp zo kunt onderzoeken dat je zelf vanuit oprechte nieuwsgierigheid te werk kunt gaan…. Werk zoveel mogelijk met open vragen (hoe, waarom). Merk je dat je zelf té betrokken bent, of dat je het lastig vindt om de ander echt te horen omdat je eigen overtuigingen je in de weg zitten? Vraag jezelf af wat je nodig hebt om die oprechte nieuwsgierigheid (weer) mogelijk te maken. Formuleer open en geïnteresseerde vragen. Zoek de balans tussen jouw betrokkenheid en open nieuwsgierigheid.

5. Onderzoeken is een kans.
Een kans om vragen te stellen, mensen te benaderen of andere afdelingen of organisaties op te zoeken. Grijp die kans en spreek mensen aan die je zonder dit ‘excuus’ misschien niet aan zou kunnen of durven spreken. Bij oprechte interesse in het kader van een onderzoek, waarbij je overigens best mag zeggen dat het voor jou persoonlijk iets betekent, zijn mensen snel geneigd om mee te willen werken. Doe geen dingen die al gedaan zijn. Doe ook geen dingen die mensen met meer tijd of ervaring en training als onderzoeker veel makkelijker kunnen doen. Niet omdat zij het beter kunnen, maar omdat jij vanwege jouw unieke positie iets kunt dat zij niet kunnen. Benut jouw eigen ruimte en mogelijkheden.

6. Als onderzoekende professional heb je een verantwoordelijkheid.
Als onderzoeker stap je in een andere rol dan je dagelijkse rol van professional. Wees je bewust van deze rolwisseling. En wees je hiervan ook bewust in gesprekken met collega’s, externen etc die gewend zijn aan jou als professional. Geef in je gesprekken met anderen duidelijkheid over je rol en geef toelichting over het doel van het onderzoek. Wees je bewust van jullie onderlinge (machts)verhouding als onderzoeker en als professional. Wees je bewust van je gemeenschappelijke geschiedenis én toekomst.

7. Zie informatie als een cadeau dat wordt gegeven binnen een relatie.
Ga dus voorzichtig en zorgvuldig met dit cadeau om. Onthoud van wie en waarom je het gekregen hebt. ‘Do no harm’ en probeer rekening te houden met de belangen van anderen door bijvoorbeeld anonimiteit of onherleidbaarheid te garanderen. Of door juist jouw dankbaarheid expliciet te maken. Betrek ze zoveel mogelijk bij evt. vervolgstappen: van verslaglegging tot eindproduct. Laat zien dat je zorgvuldig, respectvol en vanuit betrokkenheid met hun inzichten omgaat.

8. Ga uit van de expertise van anderen.
Er zijn verschillende vormen van deskundigheid of kennis: Ervaringsdeskundigheid, theoretische deskundigheid, getuige van een beleidsontwikkeling. Vraag mensen naar datgene waarvan zij kennis hebben. Probeer ruimte te maken voor wat zij zelf (binnen het onderwerp) belangrijk vinden, daar zit vaak ook hun expertise. Als antwoorden niet interessant zijn, ligt dat meestal aan de kwaliteit van de vragen. Luister aandachtig en voorbij de woorden. Vraag door. Neem de ander serieus en onderdruk de neiging die je als professional wellicht hebt om dingen uit te gaan leggen.

9. Kijk analytisch.
Ga als het nodig is actief op zoek naar andere perspectieven, denkwijzen en ervaringen. Wees niet bang voor de meest kritische stem. Jouw onderzoek hoeft geen uitsluitsel te geven. Sterker nog, de waarde zit in het zoeken van waardevolle inzichten. Ga niet op zoek naar herkenning van jouw eigen veronderstellingen, maar kijk analytisch naar de informatie die je hebt opgehaald. Probeer het casusniveau te overstijgen en ga meer op zoek naar afwegingen of factoren die een rol spelen. Goede vragen kunnen meer opleveren dan antwoorden.

10. Zorg voor productieve impact, geen onderzoek voor in een la.
Bedenk wat het doel is van je onderzoek en pas daar je verslaglegging of eindproduct op aan. Met weinig tijd en een uniek perspectief als onderzoekende professionals, is het de kunst om creatief te zijn en de ruimte te pakken!

 

Van ervaring naar impact
Lastige vragen over impact

Noem ons megalomaan of naïef, maar Yvonne en ik willen allebei graag dat ons werk er toe doet. Hoewel we heel verschillend zijn, vinden we elkaar volledig in dat we het belangrijk vinden dat ons werk nut heeft. Dat klinkt misschien overdreven. Maar het zit hem vaak juist in kleine dingen. Zo blikken we samen terug op onze ervaringen: Hebben we misschien een perspectief kunnen toevoegen dat anders over over het hoofd was gezien? Konden we gebruik maken van onze onafhankelijke positie en een nieuw inzicht aandragen? Impact- onze eigen definitie daarvan- is één van onze belangrijkste maatstaven die we gebruiken om te kijken of het nog goed gaat.

Maar nadenken over impact of effecten is helemaal nog niet zo makkelijk. Niet alleen voelt het soms wel erg megalomaan (“Alsof de hele wereld om jou draait!”) of juist naïef (“Er zijn meer factoren van invloed, hoor”). Soms is het lastig om de tijd of de ruimte te nemen om hierover na te denken, een volgende inspectie of onderzoek ligt immers al te wachten. Bovendien is het denken over deze onderwerpen zo sterk beïnvloedt door een specifiek ‘meten is weten’ denken dat het vaak al stopt voor het goed en wel begonnen is.

Dat maakt het nadenken over dit soort vragen voor veel mensen lastig. Zeker in sectoren met een sterke verantwoordingscultuur (zie het RVS rapport over dit onderwerp). De inspecteurs die wij spreken in het kader van Inspecteurs over hun vak zijn ook in dit denken getraind. Het maakt dat ze niet gewend zijn om vragen over impact en effecten van hun eigen optreden te beantwoorden.Want mag je dit soort vragen eigenlijk wel beantwoorden zonder de onderbouwing van een onafhankelijk uitgevoerd effectenonderzoek?

Wanneer is jouw werk nuttig? Wat zijn momenten waarop jouw werk er toe doet, je positieve verandering tot stand brengt? Wanneer ben jij van waarde voor de publieke zaak?

Beter worden door vragen te stellen

Maar dit soort vragen staan aan de basis van verbetering. Professionalisering gaat hand in hand met een intrinsieke wens tot kwaliteitsverbetering. Daar is continue reflectie over de (mogelijke) invloed van het eigen individuele en collectieve handelen voor nodig. Om te kunnen verbeteren moet je immers nadenken over wat eerder wel of niet heeft gewerkt en vooral waarom. Je kunt dat niet beperken tot die paar onderwerpen waar een volledige studie naar is verricht. Dan mis je veel te veel.

De afgelopen jaren is bij de rijksinspecties veel nadruk komen te liggen op het in kaart brengen van effecten van toezicht. Bij het verzamelen van al die ‘evidence’  worden bepaalde ‘regels’ gehanteerd. Die maken dat sommige invloeden eerder zichtbaar worden (gemaakt) dan anderen. Zo wordt er…

  • bij voorkeur gekeken naar causale relaties, dat geeft immers het sterkste bewijs voor effecten.
  • graag gegeneraliseerd en gesimplificeerd zodat de opgedane kennis in potentie op veel toekomstige gevallen van toepassing kan zijn.
  • gezocht naar objectieve informatie.
  • gekwantificeerd gemeten en gebruik gemaakt van grote aantallen.
  • met controlegroepen gewerkt.
  • gekeken naar grotere verbanden, grotere processen en grotere relaties.
  • (inspecteur) overstijgend gekeken, dus ofwel op inspectieniveau ofwel op geaggregeerd inspectieniveau.

Door al deze mechanismen, waar natuurlijk nog veel meer over te zeggen valt, krijgt het alledaagse, het contextspecifieke, het kleine, het complexe en het subtiele veel minder aandacht. Terwijl dat juist is waar de individuele inspecteur (of het team) mee te maken heeft.

Hoe te kijken naar je eigen impact?

Tegelijkertijd wordt van responsieve inspecteurs nu juist verwacht dat zij de context en de individuele omstandigheden slim in ogenschouw nemen en lerend en reflectief werken. De ontwikkeling van de daarvoor benodigde vaardigheden van inspecteurs vergt een ander evaluatief kader dan wat de hierboven beschreven effectmetingen bieden. Een belangrijk doel is om de achterliggende waarden en aannames over dit deel van het inspectiewerk te expliciteren. Wanneer individuele en contextspecifieke ervaringskennis namelijk impliciet blijft en niet wordt geanalyseerd, wordt ze vaak ‘gedegradeerd’ tot intuïtie en blijft ze lastig toetsbaar en overdraagbaar.

Met andere woorden: zouden de eigen ervaringen niet vaker de basis moeten vormen voor onderzoek (in de breedste zin van het woord) naar effecten en impact?

In sessies met inspecteurs draaien we het daarom om. We beginnen met te vragen naar momenten waarop zij het gevoel hadden het verschil te maken. Hoe klein of hoe groot of hoe subjectief ook. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we naar hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben. Als de ervaring vervolgens echt een positieve invloed lijkt te hebben gehad komt de volgende stap: kijken of het verder uit te bouwen is zodat meer mensen, inspecteurs, casus er profijt kunnen hebben.

Calamiteitenbeleid

Calamiteiten in ziekenhuizen

Het is belangrijk om te kunnen begrijpen wat er in een ziekenhuis gebeurt bij (mogelijke) calamiteiten. Alleen dan kan dit delicate proces verder worden verbeterd. Daarvoor is inzicht in het perspectief van de direct betrokken zorgverleners en bestuurders essentieel.

In eerdere projecten bij het NIVEL heeft Manja Bomhoff op dit onderwerp verschillende onderzoeken uitgevoerd waarin de stem van professionals nadrukkelijk aanwezig was. Zo was Manja projectleider bij de start van het leernetwerk OPEN in de zorg waar ziekenhuizen onderling ervaringen uitwisselen met betrekking tot openheid na (mogelijke) calamiteiten. In OPEN keken onderzoekers ook samen met de deelnemende ziekenhuizen, naar wat dit betekent. Bijvoorbeeld voor de betrokken zorgprofessionals (peer support), juristen en bestuurders. Dat is, naast uiteraard het verhaal van de patiënt en diens familie, cruciaal om mee te nemen.

Ziekenhuisbestuurders en verpleegkundig experts aan het woord

In 2016 en 2017 kwam het perspectief van direct betrokkenen nog centraler te staan. Bestuurders, en later ook verpleegkundigen, kwamen uitgebreid aan het woord in de artikelen die Manja Bomhoff schreef samen met Gerjan Heuver. Gerjan Heuver was destijds lid van de Raad van Bestuur van Gelre Ziekenhuizen. Op basis van literatuurstudie en interviews met collega-bestuurders en Verpleegkundig experts patiëntveiligheid onderzochten Gerjan en Manja vragen als: Hoe kijken ziekenhuisbestuurders zelf naar hun calamiteitenbeleid?

Welke rol denken bestuurders te spelen in de veiligheidscultuur van hun huis?

En: Welke rol spelen verpleegkundigen bij een calamiteit?