Onderzoekende blikken

Heb je wel eens het idee dat een onderzoek over de verkeerde vraag is gegaan? Dat het meer oplevert om op een andere manier te kijken?

Onderzoek wordt te veel gezien als iets dat heel groot, heel moeilijk en heel onafhankelijk moet zijn. Terwijl, onderzoek kan op veel meer manieren waardevol zijn.

Zo hoeft een onderzoek lang niet altijd te leiden tot uitkomsten die in een experimentele setting zijn na te bootsen. Of die als resultaat hebben dat we weten hoe de meerderheid ergens over beslist. Sterker nog, er zijn veel vragen waarbij zulke aanpakken helemaal niet goed passen.

Wij zien veel professionals en bestuurders die het onderzoeken helemaal overlaten aan buitenstaanders en experts. Dat is zonde. Iedereen die werkt in de publieke sector zou zo af en toe met een onderzoekende blik naar het eigen werkveld moeten kijken. Om meer begrip te krijgen van achterliggende beweegredenen van burgers bijvoorbeeld. Of om door te denken over de vraag of er andere manieren zijn om te kijken of het beleid goed uitpakt.

Deze plaat met tien onderzoekende blikken is bedoeld ter inspiratie. Natuurlijk is onderzoeken een vak: je moet leren wat goede vragen zijn, kritisch doordenken, ervaring opdoen, ethische consequenties doorgronden en ga zo door. En bij sommige onderzoeken wil je zeker zijn van de kwaliteit, van de zorgvuldigheid, of juist van de objectiviteit van de uitvoering.

Iedereen een onderzoekende blik

Maar hoewel niet iedereen onderzoeker is, kan wel iedereen een onderzoekende houding aannemen. Door kritisch te kijken, vragen te stellen, te reflecteren, nieuwsgierig te zijn, actief te zoeken naar tegenspraak, creatief na te denken of te zoeken naar rode draden. Eigenschappen die je als professional sowieso nodig hebt om in de publieke sector goed je werk te kunnen doen, problemen op te lossen en aan te sluiten bij wat er nodig is.

Pak dus de volgende keer dat er een vraagstuk voorligt eens deze plaat erbij. Bedenk welke blikken al aanwezig zijn in de vragen die worden gesteld en kijk eens of er ook nog andere blikken zijn die jullie verder zouden kunnen helpen. Misschien dat je zo op nieuwe vragen komt of een ander beeld krijgt van de informatie of inzichten die je op wil doen. Onderzoek is veel te inspirerend, maar ook veel te belangrijk, om helemaal over te laten aan anderen.

Deze plaat is gemaakt door Manja Bomhoff (Het Inzichtenlab) en Marjolein de Jong (Young Inspiration) en is ontworpen door Welmoet de Graaf.

Maakt de plaat je nieuwsgierig? De komende tijd gaan we wat dieper in op verschillende van deze blikken. Als je ons laat weten waar jij wel meer over wil horen dan gaan we daar mee aan de slag!

Een n=1-complex

Stel, je zit in een projectgroep. Het is jullie gelukt om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen en jullie hebben een duidelijk plan. Jullie kunnen aan de slag.

Dan wil je collega nog iets inbrengen. Een persoonlijk verhaal over een familielid. Ze heeft nog getwijfeld of ze er over zou beginnen, maar vertelt toch de schrijnende geschiedenis van haar zusje die jarenlange ervaring met het onderwerp van de projectgroep blijkt te hebben. Je hebt het gevoel dat jullie hier iets mee moeten.

De voorzitter bedankt je collega voor het delen van dit persoonlijke relaas. Hij zegt dat het, hoewel schrijnend, gelukkig wel een n=1-verhaal betreft. Een ervaring van een persoon zegt gelukkig niks over de ervaringen van anderen. Heel even is het stil, maar dan haalt iedereen adem. Jullie kunnen aan het werk.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt

Herken je dit? Heb je het zelf weleens meegemaakt; een onderwerp ingebracht waarvan je dacht dat het de moeite waard was? Of keek je toe terwijl de ervaring van een ander aan de kant werd geschoven omdat het over een n=1-verhaal ging? In de publieke sector hebben veel mensen last van een n=1-complex: de overtuiging dat één ervaring of enkele ervaringen niet van betekenis zijn. Je ziet het niet alleen in overleggen, maar ook in rapporten, beleidskeuzes of reacties.

‘Je gaat het pas zien als je het doorhebt,’ zoals Cruijff ons leerde. De ene keer kom je er op een subtiele,  vriendelijke manier achter, dan weer direct, maar vaker indirect. Ervaringen gaan bij een n=1-complex pas tellen als het er veel zijn.

Evidentie

Wanneer de regel is: hoe meer data, hoe beter, dan tellen individuele ervaringen niet. Dat past bij de wijdverspreide interesse in big data en kan heel nuttig zijn: je profiteert bij je huisarts niet alleen van zijn kennis maar van die van alle collega’s. Het kan ook heel verstandig zijn: zo moet een overheidsaanpak voor grote groepen mensen werken, niet alleen voor de mensen die het hardst roepen.

Maar wanneer de dooddoener ‘een n=1-verhaal’ van stal wordt gehaald, kan het ook zijn dat er belangrijke informatie aan de kant wordt geschoven. Als individuele ervaringen per definitie niet tellen wordt het lastiger om er nog geïnteresseerd naar te luisteren. Terwijl juist gedetailleerde verhalen heel waardevolle informatie kunnen bevatten. Informatie die niet alleen inzicht geeft in de complexiteit van de praktijk, maar ook in het samenspel van factoren waardoor beleid in de praktijk soms zo anders uitwerkt dan bedoeld.

Kwalitatieve analyse op n=1

Als iets niet vaak voorkomt, of je hebt het nog niet vaak gehoord, wil dit niet zeggen dat het geen analytische aandacht verdient. Sommige klachten hoor je maar één keer, maar zijn toch van onschatbare waarde. Zogenoemde gouden klachten: ze geven inzicht in een ander perspectief, laten zien hoe iets kan overkomen of waarschuwen voor een structurele tekortkoming. Een n=1-verhaal moet daarom niet het eindpunt maar juist het startpunt zijn: een uitnodiging voor verder onderzoek.

Onderzoek het zelf

Hoe dat verdere onderzoek eruit ziet? En dat hoeft helemaal niet ingewikkeld, groots of meeslepend. Je onderzoekt het gewoon zelf.

De eerstvolgende keer dat je een n=1-complex opmerkt, kun je beginnen met het stellen van de volgende vragen:

  • Waarom had iemand de neiging om dit verhaal te vertellen?
  • Welke betekenis heeft dit verhaal voor de verteller?
  • Wat zegt dit mij of ons?
  • Wat vind ik ervan als dit zich heeft voorgedaan?
  • Welke combinatie van factoren is hier interessant?
  • Wat zou ik hierover willen uitzoeken?
  • Als dit voor deze persoon geldt, wat zou dit dan kunnen zeggen over de ervaring van anderen?
  • Als dit ook voor anderen zou gelden, zouden wij dit dan (kunnen) horen?
  • Zou het de moeite waard zijn om uit te vinden of ditzelfde verhaal voor anderen geldt?

Je kunt hierbij ook inspiratie putten uit de plaat Tien keer een onderzoekende blik, en dan met name aandacht besteden aan de blikken van de barman en de ontdekkingsreiziger.

Het n=1-complex beperkt je in de relatie met je doelgroepen en houdt waardevolle informatie tegen. Daarom is het zo belangrijk dat ook jij van je n=1-complex af komt en de goede vragen leert stellen. Niet omdat je ieder verhaal vanaf nu even belangrijk moet gaan vinden. Wel omdat ook één enkel verhaal een schat aan nieuwe inzichten kan bevatten.

Filmpje onderzoek het zelf

Inspecteurs onderzoeken het zelf

“Hoe heeft die boete uitgepakt; is dat bedrijf er nou echt veiliger op geworden?”
“Welke vragen zetten zo’n bestuurder nou verder aan het denken, en hoe sluiten we aan bij de interne motivatie?”
“Hoe beïnvloeden mijn overtuigingen mijn inspectiewerk, en hoe zou dat bij mijn collega’s zijn?”
Inspecteurs stellen regelmatig dit soort vragen. Maar gebeurt er vervolgens ook iets mee?

Inspecteurs (en inspecties) zijn zelf gebaat bij het stellen van vragen en het in kaart brengen van effecten en impact. Het inspectiewerk gaat als het goed is hand in hand met reflectie en analytische aandacht. Zij zijn immers degenen die het werk zo goed mogelijk willen doen en het meeste willen bereiken. Daarbij horen vragen uit de praktijk.

Deze korte video hoort bij het ‘Aandacht voor wat werkt; Inspecteurs over hun vak’-project van Het Inzichtenlab (www.hetinzichtenlab.nl). Het project wordt in opdracht van bureau Inspectieraad uitgevoerd in samenwerking met verschillende inspecteurs van verschillende inspecties.

We maakten het filmpje voor het Toezichtfestival, een jaarlijks terugkerende conferentie voor rijksinspecties en anderen die zich bezig houden met toezicht. Omdat het festival dit jaar niet fysiek gehouden kon worden is er een online variant georganiseerd op www.toezichtfestival.nl .

Wij zouden een sessie houden over het project dat we samen met inspecteurs bij verschillende inspecties uitvoeren en hebben dat dus gegoten in een korte video: “Onderzoek het zelf: Professionaliseren door analytische aandacht.”

De ene evaluatie is de andere niet, het kan op zoveel manieren.  Onderzoeken of evalueren van beleid wordt te vaak gepresenteerd als een soort neutrale bezigheid. Terwijl je tijdens een evaluatie constant keuzes maakt en belangen afweegt. Sommige van die keuzes zijn onderwerp afhankelijk. Maar er zijn ook algemene keuzes die van te voren en tijdens een onderzoek gemaakt moeten worden. Die keuzes hebben te maken met het doel van de evaluatie.

Je sluit aan bij de betrokkenheid die er al is

Als het doel van evalueren is om er beter van te worden, dan moet je aansluiten bij de mensen die het echte werk doen. Alleen zo respecteer je hun werk en vergroot je hun betrokkenheid. Daarnaast spelen ook betrokken leidinggevenden en allerlei adviseurs vaak een belangrijke rol. Met elkaar zijn dit de mensen van wie je wil dat ze verbeteringen gaan doorvoeren. Ook lang nadat het onderzoek gedaan is. Probeer je onderzoek daarom zoveel mogelijk te richten op hun toekomst.

Daarnaast kan geen enkel beleid worden geëvalueerd zonder de ervaringen van de mensen voor wie het beleid bedoeld is centraal te stellen. De ene keer is dit makkelijker te organiseren dan de andere. Maar er is altijd wel een manier om de gebruiker of de burger te betrekken.

Je kiest een dynamisch perspectief

Een dynamisch perspectief (een ‘film’ in plaats van een ‘foto’) levert meer betrokkenheid en waardevolle inzichten op dan een statische blik. Dynamisch evalueren betekent dat je aandacht geeft aan waar de organisatie vandaan komt. Daarnaast kijk je ook naar hoe de organisatie zich heeft ontwikkeld. Hoe de organisatie verder open kan staan voor verbeteren en leren. Voor de mensen die dagelijks met het onderwerp bezig zijn is het belangrijk dat hun werk in deze context wordt gezien.

Het gaat daarbij niet om het opleveren van een zo precies mogelijke omschrijving van gebeurtenissen uit het verleden. Een evaluatie die vooral terugkijkt en gericht is op waarheidsvinding of verantwoording roept vaak nóg meer terugkijken op. Dat is niet bevorderlijk voor zelfreflectie. De reacties op zulke rapporten kosten organisaties vaak veel energie en leveren weinig op. Een evaluatie die recht doet aan de belangen en waarden van betrokkenen, leidt over het algemeen tot meer herkenning, meer reflectie en meer motivatie om te blijven leren.

Je begint een evaluatie daarom altijd met de waarom-vraag. Wat had het beleid als doel? Welke verschillende visies lagen eronder ten grondslag? Hoe verhouden die zich tot elkaar?

Wat is ‘goed’ en wat niet? Je bent open over de normatieve kaders

Wanneer je wil dat de mensen binnen een organisatie verder kunnen met een evaluatie is het belangrijk dat je als onderzoeker niet doet alsof slechts jij de waarheid in pacht hebt. Jou past, als passerende buitenstaander immers ook enige bescheidenheid. Dat uit zich niet in een gebrek aan lef of oordeel. Je bescheidenheid krijgt vooral vorm in openheid over de normatieve kaders die je gebruikt. Want wat is ‘goed’ en wat niet? Het is belangrijk om kleur te bekennen en zorgvuldig in te gaan op de normatieve kaders die je gebruikt.

Je bent kritisch, maar zoekt ook naar wat wél werkt

Van goede voorbeelden leer je vaak meer dan van verkeerde. Het is daarom belangrijk om expliciet op zoek te gaan naar inspirerende voorbeelden en deze ook een plek te geven. Natuurlijk moet er ruimte zijn voor de omschrijving van negatieve ervaringen of tekortkomingen. Je stelt kritische vragen en vraagt door, daarmee wil je mogelijke vanzelfsprekendheden, gaten of discrepanties tussen de bedoeling en de uitwerking boven tafel krijgen. Je doet dat niet om ‘de waarheid boven tafel te krijgen’. Veel interessanter dan een enkelvoudige waarheid zijn namelijk de verschillende overtuigingen van betrokkenen.

Erkenning van verschillen helpt verder bij het vergroten van de interesse in elkaars ervaringen. Door ervaringen vanuit verschillende perspectieven te delen gun je betrokkenen de mogelijkheid om eigen inzichten te ontwikkelen over mogelijke verbeteringen.

Ervaringen analyseer je om ervan te kunnen leren

In evaluaties gericht op leren staan dus de ervaringen met het proces centraal. Je kijkt naar die facetten van het proces die ervarings- en procesdeskundigen het belangrijkst vinden. Maar ervaringen worden niet één-op-één overgenomen. Je analyseert op welke manieren facetten uit die ervaringen een rol kunnen spelen. Daarbij kijk je naar wat de uitwerking en betekenis van bepaalde ervaringen kunnen zijn.

Sommige evaluaties richten zich met name op de beschrijving van procesindicatoren. In het geval van klachtbehandeling bijvoorbeeld wordt er vaak vooral gekeken naar wettelijk vastgestelde termijnen. Maar als keer op keer blijkt dat die termijnen worden overschreden dan is het vaak veel interessanter om te begrijpen wat de overschrijding van zo’n termijn kan betekenen. In welke gevallen zijn de termijnen belangrijk voor de ervaring? Hoe kijken procesdeskundigen daar tegenaan? Welke factoren spelen (mogelijk) een rol bij de tijd die het kost om binnen de organisatie klachten af te handelen? Antwoorden op dit soort vragen bieden een organisatie meer handvatten om te zoeken naar constructieve (en vooral ook bij de organisatie passende) strategieën.

Je bent dichtbij én onafhankelijk

Omdat betrokkenheid niet spontaan ontstaat na afloop van een onderzoek voer je een evaluatieonderzoeken gericht op leren het liefst zo dicht mogelijk op de organisatie(s) uit. Je legt tussentijdse bevindingen zoveel mogelijk voor, bijvoorbeeld aan een interne begeleidingscommissie. Zo neem je ze mee in de aanpak en de uitkomst van het onderzoek. Je luistert naar de reacties die tussentijdse bevindingen en keuzes oproepen en laat commissieleden hardop meedenken over wat hen belangrijk of productief lijkt.

Soms is er de angst dat dit ten koste gaat van je onafhankelijkheid. Dat hoeft niet zo te zijn. Als je helder bent over de reden waarom je je oor te luister wil leggen kun je je vervolgens nog altijd volkomen vrij opstellen in het opschrijven van de bevindingen en de methodologische (on)mogelijkheden. Het kan daarbij ook helpen om een externe leescommissie in te stellen, zeker wanneer het onderwerp complex is of (politiek) gevoelig ligt.

Aanbevelingen stel je op in dialoog

Ook bij het opstellen van aanbevelingen zoek je nadrukkelijk de dialoog met verschillende gesprekspartners binnen de opdrachtgevende organisatie. In de interactie tussen onderzoekers, ambtenaren en bestuurders is het altijd wat zoeken naar hoe aanbevelingen zullen worden geïnterpreteerd en opgepakt. Als onderzoeker probeer je hier op een open wijze en passend bij je specifieke rol een productieve invloed op uit te oefenen. Daar hoort vaak ook enige nazorg bij in de vorm van presentaties, discussies of adviessessies. Maar uiteindelijk hoort bij leren ook eigenaarschap. Het is aan de organisatie zelf om de vervolgstappen te zetten.

Wat bedoel jij met effect?

Het valt ons op dat er nog wel eens langs elkaar heen wordt gesproken wanneer het in een organisatie gaat om effect. De een heeft het vooral over het meten van effect. De ander meer over de vraag wat zin heeft. Een derde wil vooral weten wat er gedaan moet worden.

Ook zijn er verschillende ideeën over waar naar gekeken zou moeten worden: De een kijkt bijvoorbeeld naar een deel van het proces, terwijl de ander misschien vooral wil kijken naar het eindresultaat. De een is benieuwd naar de korte, de ander naar de langere termijn. En de een wil vooral focussen op het merkbare en de ander houdt het liever bij het meetbare.

Duidelijkheid is een belangrijke voorwaarde

In effectonderzoek is het allereerst belangrijk dat je met elkaar duidelijkheid hebt over waarom je het eigenlijk over effect wil hebben. Pas daarna kun je zinnig gaan nadenken over hoe dat er dan uit zou moeten komen te zien. Eerder al schreven we deze blog over hoe het onderzoeken van effect om maatwerk vraagt. Nu hebben we, op basis van jullie opmerkingen en reflecties ook een opzet gemaakt voor een praatplaat: “Wat bedoel jij met effect?”. Zie het bijgevoegde document.

Wat bedoel jij met effect?

Wat bedoel jij met effect (Download pdf)

De plaat en de bijbehorende vragen (zie de pdf) zijn nog work-in-progress. We gaan er binnenkort weer verder over gesprek in één van de deelnemende inspecties aan ‘Inspecteurs over hun vak’

Wat denkt u: Zou iets als het bijgevoegde kunnen helpen om zo’n gesprek met elkaar te voeren? Wat zou er wel of niet goed kunnen werken? Mist er iets, of brengt dit op andere ideeën? Bijvoorbeeld voor een andere fase in het gesprek over, of het in kaart brengen van, effect? Wij vinden het vooral belangrijk dat het gesprek hierover op een zinnige manier gevoerd wordt. Professionals, zo is onze indruk, verliezen eigenaarschap en betrokkenheid wanneer er teveel langs elkaar heen wordt gepraat.

 

Wat is voor jou als professional een belangrijke vraag?

Dat wij het belang zien van onderzoekende professionals is evident. Onze ‘Onderzoek het zelf’ aanpak is een heel bewuste keuze. Professionals met een vraag verdienen analytische aandacht. Het wordt nog veel mooier wanneer deelnemers zelf laten weten wat het doen van onderzoek bij hen teweeg brengt.

Wij merken hoe het voor de professionals die deelnemen aan onze trajecten soms al bijzonder is dat hen wordt gevraagd wat zij zouden willen onderzoeken. “Wat vind jij belangrijk en de moeite om nader te bekijken waard?” Het is een vraag die ze blijkbaar niet gewend zijn te krijgen. Sommige professionals schrikken en beginnen gelijk over hun gebrek aan onderzoeksachtergrond of laten op een andere manier onzekerheid blijken: onderzoeken is vast te ingewikkeld of te tijdrovend. “En misschien is er al wel lang een antwoord op mijn vraag, maar weet ik het gewoon nog niet”.

Onderzoek doen is emanciperend, inspirerend en gewoon leuk

Wij zien steeds weer dat wanneer deze hobbels eenmaal zijn genomen, het proces van onderzoek emanciperend en inspirerend werkt. Het zelf mogen bepalen van een onderzoeksfascinatie. Het, met ondersteuning, zelf bedenken van een aanpak die haalbaar is. Als die aanpak dan ook nog leidt tot het aangaan van nieuwe contacten, het spreken of interviewen van interessante mensen of het op een andere manier kijken naar een beleidsdocument, dan wordt duidelijk hoe ontzettend leuk en inspirerend het onderzoeken is.

Veel belangrijker dan wat wij zien is natuurlijk wat de deelnemers zelf hierover vertellen. Hoe zij als professionals met een vraag aankijken naar het onderzoek dat zij hebben uitgevoerd. We bundelden een paar uitspraken van deelnemeners aan ‘Aandacht voor wat werkt; Inspecteurs over hun vak’ op een mooie poster gemaakt door Welmoet. We maakten ook zo’n poster over meer inhoudelijke opmerkingen die ze maakten. De posters zijn een manier om de professionals te laten zien dat hun perspectief er toe doet, maar laten u ook meegenieten van hun mooie uitspraken.

“Het is zó druk er is geen ruimte om na te denken. Aan wat belangrijk is komen we haast niet meer toe”.

Merkt u het ook? Te veel publieke professionals bezwijken (bijna) onder de werkdruk. De afgelopen weken sprak ik iedere dag wel iemand die aangaf dat de druk niet te doen was: inspecteurs, een verpleegkundige, een gemeenteambtenaar, een beleidsmedewerker of onderwijzers. Wat me opvalt is dat de bevlogen professionals die ik de laatste tijd spreek allemaal graag twee dingen willen: Ze willen hun werk heel graag goed doen én ze willen ook nog eens heel graag het goede doen.

De trein dendert door

Interessant genoeg lijkt het zo te zijn dat hoe drukker het wordt, hoe meer de focus komt te liggen op het eerste: je werk goed doen: taken afmaken, verplichtingen nakomen, targets halen. De trein dendert door en de ‘moetjes’ stapelen zich op.

Maar om te kunnen nadenken over of wat je doet ook het goede is om te doen is ruimte nodig. Wat is het belangrijkste, het meest effectieve, het meest impactvolle? Vragen die niet alleen op een hoog abstractie niveau belangrijk zijn, maar juist ook passen bij het dagelijkse werk. Wat ging er goed de afgelopen tijd? Wanneer had ik het gevoel dat wat ik deed effect sorteerde? En op welke manier kom ik daar achter? Maar ook: wat voelt niet zinnig of nuttig? Waar zitten we vast in onze eigen vanzelfsprekendheden? Belangrijke vragen waar soms van wordt teruggedeinsd. Misschien voelt het te spannend. Wat zal er naar boven komen wanneer we serieus naar de inhoud van ons werk kijken? Of als we aan anderen vragen hoe zij het hebben ervaren? En hoe vinden we dan ook nog ruimte om daar vervolgens iets mee te doen?

Een consequentie of ook een oorzaak?

Maar is dat niet zorgelijk? Als we geen ruimte vinden om na te denken over waarom we doen wat we doen, wat gebeurt er dan? Wat doet het met de betrokkenheid, de gevoeligheid, het enthousiasme en het menszijn van publieke professionals? En welke consequenties heeft dat dan weer voor de kwaliteit van de dienstverlening en de aansluiting van de systeemwereld bij de leefwereld? Misschien is het gebrek aan ruimte voor inhoudelijke reflectie niet alleen een consequentie, maar ook een oorzaak voor de ervaren druk.

Ik moet bij dit onderwerp altijd aan het boek van Michael Ende denken: ‘Momo en de tijdspaarders‘. Een prachtig verhaal over volwassenen die zo druk aan de slag gaan met het sparen van tijd voor later dat ze vergeten te leven. Een aanrader voor groot en klein.

Michael Ende

Analytische aandacht

Ruimte voor inhoudelijke reflectie is een thema dat ons voorlopig nog vollop bezighoudt. Hoe vindt of creeër je die? Kan je ervoor zorgen dat reflectie niet uitmondt in navelstaarderij of inproductief gemopper? En dat het niet alleen gaat over de persoonlijke, emotionele kant, waarvoor bijvoorbeeld intervisie een waardevol instrument is. Maar juist reflectie op de publieke taak en de invulling daarvan, ookal zijn ze sterk met elkaar verweven? En vooral ook, hoe zorg je dat de publieke zaak er uiteindelijk beter van kan worden? Dat het niet vervliegt?

Ook Herman Tjeenk Willink signaleert in zijn boek ‘Groter denken, kleiner doen’ de urgentie van reflectie op de publieke zaak door professionals zelf.

Herman Tjeenk Willink

Wij zien ruimte voor reflectie als een onderwerp en vorm van onderzoek. Dat betekent dat we enerzijds deze processen op een gestructureerde, kritische wijze aanjagen, vaak in de vorm van actie-onderzoek. Anderzijds bekijken we de processen vervolgens ook als een onderwerp van onderzoek en maken de rode draden ook voor andere professionals, leidinggevende en bestuurders zichtbaar. We noemen dat graag het geven van analytische aandacht.

Maar nu terug naar u.  Heeft u, binnen uw organisatie, voldoende ruimte voor reflectie op het werk? Gebeurt dat op eigen initiatief of is die ruimte organisatorisch ingebouwd? Wat heeft u nodig om van een afstandje te kunnen kijken naar het werk dat u doet? En bespreekt u dit op analytische wijze met uw collega’s? Hoe maakt u daar ruimte voor?

Gouden regels

Tien gouden regels voor onderzoekende professionals

Onderzoekende professionals. We hebben het er wel steeds over, maar hoe doe je dat eigenlijk: onderzoekend naar je eigen werk voor de publieke sector kijken? Het kan verwarrend zijn: Moeten we nu ‘onderzoekers’ worden? (Antwoord = Nee) Kan ik dat wel, zonder uitgebreide opleiding? (Antwoord = Ja). We stelden tien gouden regels op voor onderzoekende professionals. Bottomline: je blijft bovenal professional maar neemt een onderzoekende houding aan!

 

1. Jouw eigen ervaring en perspectief als professional is je grootste kracht.
Gebruik je unieke positie en alle ervaring en kennis die je hebt opgedaan. Gooi dat niet weg om ‘onderzoeker’ te worden, maar wordt een onderzoekende professional. Als professional ben je dagelijks in de praktijk werkzaam en weet als geen ander welke thema’s spelen, welke discussies er leven en welke vertaalslagen er gemaakt moeten tussen beleid en praktijk. Dat is jouw kracht.

2. Onderzoeken is leuk en inspirerend en moet dat vooral blijven.
Let dus op jezelf, qua tijd, qua taken, qua verantwoordelijkheden.

3. Begin bij wat jij belangrijk vindt.
Die dingen die je verbazen, irriteren, warm maken of waarvan je denkt dat anderen ze zouden moeten zien kunnen de perfecte basis vormen voor een goede onderzoeksvraag naar iets wat er écht toe doet. Probeer expliciet en eerlijk na te denken over je eigen verwachtingen, waarden, aannames en belangen en die van je organisatie. Als dit lastig is, benut hiervoor bijvoorbeeld gesprekken met collega’s om dit scherp te krijgen. Dat is nodig voordat je de volgende stappen kunt maken.

4. Benader je onderwerp vanuit oprechte nieuwsgierigheid.
Kijk vervolgens hoe je het onderwerp zo kunt onderzoeken dat je zelf vanuit oprechte nieuwsgierigheid te werk kunt gaan…. Werk zoveel mogelijk met open vragen (hoe, waarom). Merk je dat je zelf té betrokken bent, of dat je het lastig vindt om de ander echt te horen omdat je eigen overtuigingen je in de weg zitten? Vraag jezelf af wat je nodig hebt om die oprechte nieuwsgierigheid (weer) mogelijk te maken. Formuleer open en geïnteresseerde vragen. Zoek de balans tussen jouw betrokkenheid en open nieuwsgierigheid.

5. Onderzoeken is een kans.
Een kans om vragen te stellen, mensen te benaderen of andere afdelingen of organisaties op te zoeken. Grijp die kans en spreek mensen aan die je zonder dit ‘excuus’ misschien niet aan zou kunnen of durven spreken. Bij oprechte interesse in het kader van een onderzoek, waarbij je overigens best mag zeggen dat het voor jou persoonlijk iets betekent, zijn mensen snel geneigd om mee te willen werken. Doe geen dingen die al gedaan zijn. Doe ook geen dingen die mensen met meer tijd of ervaring en training als onderzoeker veel makkelijker kunnen doen. Niet omdat zij het beter kunnen, maar omdat jij vanwege jouw unieke positie iets kunt dat zij niet kunnen. Benut jouw eigen ruimte en mogelijkheden.

6. Als onderzoekende professional heb je een verantwoordelijkheid.
Als onderzoeker stap je in een andere rol dan je dagelijkse rol van professional. Wees je bewust van deze rolwisseling. En wees je hiervan ook bewust in gesprekken met collega’s, externen etc die gewend zijn aan jou als professional. Geef in je gesprekken met anderen duidelijkheid over je rol en geef toelichting over het doel van het onderzoek. Wees je bewust van jullie onderlinge (machts)verhouding als onderzoeker en als professional. Wees je bewust van je gemeenschappelijke geschiedenis én toekomst.

7. Zie informatie als een cadeau dat wordt gegeven binnen een relatie.
Ga dus voorzichtig en zorgvuldig met dit cadeau om. Onthoud van wie en waarom je het gekregen hebt. ‘Do no harm’ en probeer rekening te houden met de belangen van anderen door bijvoorbeeld anonimiteit of onherleidbaarheid te garanderen. Of door juist jouw dankbaarheid expliciet te maken. Betrek ze zoveel mogelijk bij evt. vervolgstappen: van verslaglegging tot eindproduct. Laat zien dat je zorgvuldig, respectvol en vanuit betrokkenheid met hun inzichten omgaat.

8. Ga uit van de expertise van anderen.
Er zijn verschillende vormen van deskundigheid of kennis: Ervaringsdeskundigheid, theoretische deskundigheid, getuige van een beleidsontwikkeling. Vraag mensen naar datgene waarvan zij kennis hebben. Probeer ruimte te maken voor wat zij zelf (binnen het onderwerp) belangrijk vinden, daar zit vaak ook hun expertise. Als antwoorden niet interessant zijn, ligt dat meestal aan de kwaliteit van de vragen. Luister aandachtig en voorbij de woorden. Vraag door. Neem de ander serieus en onderdruk de neiging die je als professional wellicht hebt om dingen uit te gaan leggen.

9. Kijk analytisch.
Ga als het nodig is actief op zoek naar andere perspectieven, denkwijzen en ervaringen. Wees niet bang voor de meest kritische stem. Jouw onderzoek hoeft geen uitsluitsel te geven. Sterker nog, de waarde zit in het zoeken van waardevolle inzichten. Ga niet op zoek naar herkenning van jouw eigen veronderstellingen, maar kijk analytisch naar de informatie die je hebt opgehaald. Probeer het casusniveau te overstijgen en ga meer op zoek naar afwegingen of factoren die een rol spelen. Goede vragen kunnen meer opleveren dan antwoorden.

10. Zorg voor productieve impact, geen onderzoek voor in een la.
Bedenk wat het doel is van je onderzoek en pas daar je verslaglegging of eindproduct op aan. Met weinig tijd en een uniek perspectief als onderzoekende professionals, is het de kunst om creatief te zijn en de ruimte te pakken!

 

Tijdens het VNG/GGD GHOR congres  ‘Handhaving en Naleving’ ging Manja Bomhoff in gesprek met ondertoezichtstaanden voor een publiek van GGD inspecteurs en handhavers van verschillende gemeenten.

Een houder van een gastouderbureau, een bestuurder bij een organisatie in verslavingszorg en een pedagogisch beleidsmedewerker in de kinderopvang vertelden over hun ervaringen met het toezicht door de GGD’en.

Onderwerpen die voorbij kwamen waren o.a. kwaliteit, stimulerende vragen, toezichtlast, uniformiteit. De ondertoezichtstaanden vertelden wat zij zagen als goed toezicht, benadrukten het belang van goed vertaalwerk tussen het beleid en de praktijk en spraken uit wat zij zouden doen met ‘de rotte appels’ als ze het voor het zeggen hadden.

Het was een bijzondere dag. Wat hadden deze ondertoezichtstaanden mooie nieuwe gezichtspunten, bijzondere ervaringen en innovatieve ideeën toe te voegen aan het gesprek over toezicht. Hoe anders kan het toezicht ervaren worden als je er vanaf de andere kant mee te maken krijgt! En tegelijkertijd, wat zijn er ook veel gezamenlijke belangen.

Betrokkenheid en frustratie

Het ging gedurende de dag ook over frustraties. Bijvoorbeeld over hoe lastig het is om informatie- en inzichten te delen. Inspecteurs en handhavers noemden dit punt gedurende de dag meerdere keren. Zij noemden de AVG zelfs als één van hun grootste frustraties in het plenaire gedeelte. Maar ondertoezichtstaanden kunnen hier blijkbaar ook zelf last van hebben. Bijvoorbeeld wanneer zij willen aangeven dat collega ondernemers of onderaannemers frauderen. Natuurlijk is het delen van gevoelige informatie iets waar voorzichtig mee om moet worden gegaan. Maar de frustratie bij een ondernemer die noch met de gemeente, noch met de belastingdienst informatie over (zijn onder-)aannemers kon delen, was invoelbaar. Het interessante voor het publiek van toezichthouders was om te zien hoe deze frustratie zo duidelijk voortkwam uit betrokkenheid. Betrokkenheid bij de kwaliteit van de sector én met het toezicht erop.

In gesprek met ondertoezichtstaanden

Het was een bevestiging van het belang om met ondertoezichtstaanden in gesprek te gaan. Heel mooi dat GGD GHOR Nederland dit handhaving congres samen met de VNG organiseerde en zo ondertoezichtstaanden een podium bood om hun ervaringen te delen.

Inkleuring van maatschappelijke betrokkenheid

Maatschappelijke betrokkenheid is voor veel inspecteurs een belangrijke drijfveer. “De kans dat er in het veld iets misgaat is klein, maar het effect is groot.” “Ik heb een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Mij motiveert om uit te zoeken wat er is gebeurd, en me niet neerleggen bij fouten. Recht doen aan de zaak.” “Het is fijn om iets te kunnen betekenen voor mensen in hun werksituatie. Zodat zij ’s avonds weer veilig en gezond huiswaarts kunnen keren.” Doorvragend blijkt deze maatschappelijke betrokkenheid bij inspecteurs verbonden te zijn met verschillende perspectieven.

Perspectief van de professional in het veld

Sommige inspecteurs benaderen hun werk vanuit hun eigen ervaring als professional in het veld. In hun inspectiewerk willen ze bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het beleidsterrein waar ze toezicht op houden.

“Voor mij is inspectiewerk bijdragen aan de kwaliteit van het veld. Hiervoor heb ik 10 jaar zelf als professional in het veld gewerkt. Bij de inspectie kan ik dat doen meer vanuit de achterkant, waarbij je toekijkt als het al gebeurd is en niet zozeer zelf bezig bent met creatie. Ik gebruik mijn achtergrond in de waardering van de informatie die ik krijg. Het beïnvloedt de manier waarop ik kijk naar meldingen of naar de houding van mensen bij meldingen. Ik kan me goed verplaatsen in wat dit betekent voor de verschillende mensen. In ons overleg merk ik dat dat een aanvulling is op wat er al is. In plaats van heel negatief oordelend, wil ik ook in kaart brengen of belichten ‘hoe zit die ander erin?’.’ Kun je je voorstellen wat die ander aan het beleven is?’. Ik waardeer het vak van de professional. Ik voel me verbonden met de mensen die dat werk in het veld doen.”

Perspectief van de burger

In reactie hierop benadrukte een andere inspecteur het waardevol te vinden dat er inspecteurs zijn met praktijkervaring uit het veld omdat zij een goede vertaalslag kunnen maken. Voor zichzelf vindt hij het vooral van waarde dat hij juist géén achtergrond of verbinding met het veld heeft.

“Dat vind ik soms ook heel erg fijn, omdat ik het gevoel heb dat ik daardoor als burger kan kijken. En dat vind ik waardevol. Ik vind niet dat wij als inspectie er zijn voor de professional, maar veel meer voor de burger. Met die motivatie leek mij dit vak heel erg mooi: dat je voor iedereen in Nederland zorgt dat de kwaliteit goed is. Daarvoor vind ik het juist makkelijk dat ik me niet zo makkelijk kan inleven in de beroepsgroep. Ik vind het fijn om die afstand te hebben. Soms doet het er niet toe dat het heel invoelbaar en begrijpelijk is dat het misgaat. Want eigenlijk willen we voor een bepaalde kwaliteit staan. En hoe begrijpelijk het soms is dat het misgaat, als je er voor de burger bent, dan moet je dat soms niet accepteren en durven op te treden op die momenten. En ik vind dat je daar als inspecteur een rol hebt die je moet durven nemen.”

Een waardevol gesprek volgde tussen de inspecteurs. Voor welk perspectief sta jij in je werk? We vroegen door over de perspectieven en of deze tijdens overleggen ook wel expliciet benoemd worden.

“Eigenlijk nemen we niet voldoende tijd om deze rollen zo te benoemen. Twee medewerkers behandelen de casus en dan maakt het eigenlijk niet zo uit of er nog andere perspectieven aan tafel zitten.”

Perspectieven expliciet inzetten

Inspecteurs kijken vanuit verschillende perspectieven en vanuit verschillende waarden naar hun inspectiewerk. Ook een beleidsperspectief of een repressief perspectief kom je bijvoorbeeld wel eens tegen. Al deze perspectieven zijn direct van invloed op hoe inspecteurs naar hun werk kijken, welke afwegingen en keuzes zij maken.

Wat is het effect als deze perspectieven impliciet blijven en niet naar elkaar kenbaar worden gemaakt? Terwijl, zoals blijkt, een gesprek hierover zoveel inzicht kan geven in elkaars waarden en in elkaars optreden. Een inspecteur vertelde:

“Ik herken dit wel in ons overleg. Laatst hadden we bespreking en toen ging jij er ook echt voor staan: ‘Als deze ondertoezichtstaande echt helemaal niet meewerkt aan onderzoek, hoe kan het dan zijn dat hij ermee weg kan komen? Dat zegt ook iets over iemands houding.’ Toen ging jij staan voor de maatschappij: dat kunnen we niet zo toelaten. Dat hebben we toen expliciet meegenomen in onze beslissing.“

Sterker nog: deze verschillende perspectieven kunnen het inspectiewerk versterken. Het gaat bij inspectiewerk om het afwegen van belangen, om als intermediair een zorgvuldige en gewogen beslissing te nemen die recht doet aan de context. De echt interessante vraag is: Op welke manier kunnen we deze perspectieven en waarden expliciet maken en vervolgens benutten om ons werk te verbeteren? In hoeverre kun je inspecteurs expliciet een perspectief laten ‘innemen’ en zo met elkaar reflecteren op een casus?

Wat roept het denken in perspectieven bij jou aan herkenning, verbazing of iets anders op? Voor welk perspectief sta jij? Of benadruk jij juist weer een ander perspectief? Verkennen jullie met elkaar op welke manier je deze verschillende perspectieven met elkaar bespreekbaar kunt maken? Of is het moeilijk om te erkennen dat er verschillende perspectieven bestaan wanneer er een soort neutrale objectieve houding van je wordt verwacht?

Graag horen we jouw ervaring!

Yvonne van der Vlugt
Manja Bomhoff