n=1 complex

Zo kom je af van je N=1-complex

In veel publieke sectoren is de nadruk komen te liggen op evidentie, generaliseerbaarheid en big data. Individuele ervaringen tellen niet. Maar wanneer de dooddoener ‘een n=1-verhaal’ wordt uitgesproken kan het zijn dat er belangrijke informatie terzijde wordt geschoven.

De gezondheidszorg dient vaak als voorbeeld. In deze sector gold lange tijd: hoe meer data hoe beter. Soms is deze manier van denken heel nuttig. U profiteert hierdoor bijvoorbeeld, wanneer u naar uw huisarts gaat, niet alleen van haar kennis maar ook van de geaggregeerde kennis van haar collega’s. Bij beleid(-sevaluaties) wordt daarom vooral gezocht naar wat werkt voor grote groepen mensen, niet alleen naar wat werkt voor de mensen die het hardst roepen.

Doorgeslagen

Maar wanneer individuele ervaringen er niet meer toe doen wordt in potentie nuttige informatie genegeerd. Er wordt niet meer naar mensen geluisterd. Zo missen we informatie uit meer gedetailleerde verhalen over complexere situaties of processen. Informatie die niet generaliseerbaar is voor een grotere groep, maar toch inzichten kan opleveren die voor meer mensen van waarde zijn. In het boek ‘Weten vraagt meer dan meten’ leest u welke gevolgen dat kan hebben.

Kwalitatieve analyse

In het dagelijkse werk mag het N=1-complex best wat vaker opzij worden geschoven. Als iets niet vaak voorkomt, of u het nog niet vaak heeft gehoord wil dat niet zeggen dat het geen analytische aandacht verdient. Sommige klachten bijvoorbeeld hoort u maar één keer, maar kunnen toch van onschatbare waarde zijn. Gouden klachten: omdat ze inzicht geven in een ander perspectief, laten zien hoe iets kan overkomen, waarschuwen voor een structurele tekortkoming etc.

Publieke organisaties gebruiken steeds vaker kwalitatief onderzoek, bijvoorbeeld om verhalen te verzamelen. Maar te vaak nog wordt die methode alleen als ‘extraatje’ ingezet of vooral vanuit communicatieoogpunt gebruikt (‘persoonlijke verhalen trekken immers in teksten de aandacht’). Daarbij wordt de analytische stap vaak overgeslagen.

Tot ziens

Een verpleegkundige vertelde dat een bewoner met chronische pijn en vermoeidheid werd gevraagd hoe de zorg voor haar beter kon. Na veel aandringen gaf de bewoner één suggestie. Ze vond het naar dat mensen haar bij het verlaten van haar appartement iedere keer een ‘fijne dag’ wensten. Ze had namelijk zelden nog écht fijne dagen en hoorde dus liever ‘tot ziens’ dan een onbereikbare wens. Is dit een n=1 verhaal? Jazeker! Maar heeft het daardoor slechts betrekking op één iemand en daarmee beperkte waarde? Nee, zo’n opmerking nodigt juist uit tot verder nadenken en verder onderzoek.

In ‘Inspecteurs over hun vak’ komen elf inspecteurs aan het woord over het inspectievak. Dat zijn er niet veel. En toch geven ze met elkaar een waardevol inkijkje in de dilemma’s, overwegingen, uitdagingen die ze zoal tegenkomen. Is dat volledig? Weten we nu wat alle inspecteurs vinden of meemaken? Nee, zeker niet. De ervaringen van de inspecteurs geven door de gedetailleerdheid stof tot nadenken en gesprek. Hier heeft de hele organisatie wat aan.

Verder onderzoek

N=1 is daarom niet het eindpunt maar het startpunt voor verder onderzoek. Stelt u zichzelf ter oefening de volgende keer dat u uw n=klein-complex opmerkt om te beginnen eens de volgende vragen:

  • Waarom voelde iemand de neiging om dit verhaal te vertellen?
  • Welke betekenis heeft dit verhaal voor de verteller?
  • Wat zegt dit ons?
  • Wat vind ik ervan als dit zich heeft voorgedaan?
  • Als dit voor deze persoon geldt, wat zou dit dan kunnen zeggen over andere gevallen?
  • Als dit voor anderen zou gelden, zouden wij dit dan (kunnen) horen?
  • Zou het de moeite waard zijn om uit te vinden of ditzelfde verhaal ook voor anderen geldt?

Deze en veel andere vragen zijn de moeite waard om vaker te stellen. Ze vormen voor Het Inzichtenlab een rode draad in onze onderzoeken. Dat kun je bijvoorbeeld terugzien in onze evaluaties van de klachtbehandeling bij Defensie of van particuliere bewindvoering. Ze vormen ook een belangrijke pijler onder ons werk op het gebied van leren van klachten.

De publieke sector kan alleen beter worden als er oog is voor verschillende perspectieven. Dat kan alleen als n=1-ervaringen op waarde worden geschat.

 

Krantje
Het jaarlijkse Toezichtfestival

Vandaag, 24 maart, zou het jaarlijkse Toezichtfestival worden gehouden. Een interessant evenement dat Bureau Inspectieraad organiseert voor toezichthouders van (rijks)inspecties en waar mooie ontwikkelingen en vragen met elkaar worden gedeeld. Het is ieder jaar een mooie gelegenheid om met verschillende inspecteurs in gesprek te gaan. Zo bespraken we vorig jaar tijdens een workshop de mogelijkheden om (waarderend) in gesprek te gaan met ondertoezichtstaanden.

Een krantje over onderzoekende inspecteurs

Wij hadden het plan om tijdens het Toezichtfestival een inkijkje te geven in ons lopende project. ‘Aandacht voor wat werkt’ is een actieonderzoek met, en over, inspecteurs.  We maakten daarom een  krantje waarin we laten zien welke vragen de inspecteurs uit ons project hebben verkend en wat dit heeft opgeleverd.

Nou komt er vast nog een andere gelegenheid om die inspecteurs en hun bijzondere onderzoeken aandacht te geven. Maar toch nu alvast een klein berichtje. Starten bij vragen die inspecteurs zelf hebben over hun werk en de effecten van hun toezicht levert namelijk echt bijzondere inzichten op. Zowel op het uitvoerende niveau van de inspecteurs zelf als meer conceptueel waarbij het gaat over vragen over impact en betekenisvolle verantwoording.

Nu wachten we eerst op rustigere tijden en wensen we u allen sterkte en gezondheid. En gelukkig, deze post bederft niet. Maar mocht u het krantje alvast (digitaal) willen ontvangen, neemt u dan vooral contact met ons op.

Wat bedoel jij met effect?

Wat bedoel jij met effect?

Het valt ons op dat er nog wel eens langs elkaar heen wordt gesproken wanneer het in een organisatie gaat om effect. De een heeft het vooral over het meten van effect. De ander meer over de vraag wat zin heeft. Een derde wil vooral weten wat er gedaan moet worden.

Ook zijn er verschillende ideeën over waar naar gekeken zou moeten worden: De een kijkt bijvoorbeeld naar een deel van het proces, terwijl de ander misschien vooral wil kijken naar het eindresultaat. De een is benieuwd naar de korte, de ander naar de langere termijn. En de een wil vooral focussen op het merkbare en de ander houdt het liever bij het meetbare.

Duidelijkheid is een belangrijke voorwaarde

In effectonderzoek is het allereerst belangrijk dat je met elkaar duidelijkheid hebt over waarom je het eigenlijk over effect wil hebben. Pas daarna kun je zinnig gaan nadenken over hoe dat er dan uit zou moeten komen te zien. Eerder al schreven we deze blog over hoe het onderzoeken van effect om maatwerk vraagt. Nu hebben we, op basis van jullie opmerkingen en reflecties ook een opzet gemaakt voor een praatplaat: “Wat bedoel jij met effect?”. Zie het bijgevoegde document.

Wat bedoel jij met effect?

Wat bedoel jij met effect (Download pdf)

De plaat en de bijbehorende vragen (zie de pdf) zijn nog work-in-progress. We gaan er binnenkort weer verder over gesprek in één van de deelnemende inspecties aan ‘Inspecteurs over hun vak’

Wat denkt u: Zou iets als het bijgevoegde kunnen helpen om zo’n gesprek met elkaar te voeren? Wat zou er wel of niet goed kunnen werken? Mist er iets, of brengt dit op andere ideeën? Bijvoorbeeld voor een andere fase in het gesprek over, of het in kaart brengen van, effect? Wij vinden het vooral belangrijk dat het gesprek hierover op een zinnige manier gevoerd wordt. Professionals, zo is onze indruk, verliezen eigenaarschap en betrokkenheid wanneer er teveel langs elkaar heen wordt gepraat.

 

Manja Bomhoff
Yvonne van der Vlugt

 

**Mogen wij u vaker met dit soort inzichten inspireren? Ontvang een paar keer per jaar onze Inzichtenmail.**

Onderzoeksproces

“Wat is de definitie van ‘professionaliseren’? We kunnen toch niet zomaar onze eigen definitie gebruiken?”

Er is een bepaald beeld van wat onderzoek is. Dat geldt in het algemeen maar heeft ook zijn weerslag op onderzoek in de publieke sector. Veel van ons hebben over dit soort onderzoek geleerd als ‘de gouden standaard’ of écht onderzoek. Op allerlei manieren beïnvloedt dit beeld van ‘echt onderzoek’ hoe we kijken naar andere dingen. Zoals naar wie het voor het zeggen heeft, wanneer, en waarom.

Die dominante visie is ons ooit aangeleerd, maar wordt daarnaast dagelijks bevestigd en herhaald. In de krant, op het werk en in de tweede kamer, overal.

Terwijl de publieke sector juist ook een andere vorm van onderzoek nodig heeft.

Dat er ook andere ideeën zijn is lang niet bij iedereen bekend. Lang niet iedereen weet bijvoorbeeld dat die ideeën in andere, minder bekende hoeken van de wetenschap uitgebreid zijn doordacht. (Bijvoorbeeld in de antropologie, in gender studies, of in de wetenschapsfilosofie). Ook is lang niet iedereen op de hoogte van wat die verschillende ideeën in de praktijk voor consequenties kunnen hebben.

Het dominante beeld van onderzoek

Wij merken dagelijks hoe sterk dat dominante beeld is. Hoeveel invloed het heeft, ook op onderzoek in de publieke sector. We zien het bijvoorbeeld aan hoe er alsmaar wordt gezocht naar experts. Bijvoorbeeld om van te leren wat de definitie van ‘professionaliseren’ is. Maar het is ook te merken wanneer het gaat over hoe effecten pas echt zijn als ze gemeten, niet opgemerkt, worden. Of wanneer er weer verwacht wordt dat onderzoek ons universele waarheden zal vertellen. Terwijl we tegelijkertijd ook horen dat het altijd in de la verdwijnt.

 

Dominant beeld van onderzoek

Het dominante beeld van onderzoek

Volgens het standaard beeld van onderzoek gaat het om:

  • Een duidelijke onderzoeksprocedure met een van te voren vastgestelde route
  • Een vaststaande en leidende onderzoeksvraag
  • Een uitvoering door externe experts
  • Hoe meer informatie hoe beter (n=groot)
  • Meetbare informatie die een antwoord geven op de onderzoeksvraag
  • Een duidelijke afsluiting met een rapport of een ander (van te voren vastgesteld) eindproduct
‘Ons soort’ onderzoek

Dat wij het anders doen mag duidelijk zijn. Uit onze ervaring weten we dat de complexiteit in het publieke domein andere vormen van onderzoek nodig heeft. De dominante vorm van onderzoek laat te weinig ruimte voor verschillende perspectieven, en stelt te weinig vragen bij vanzelfsprekendheden in het beleid.

Wij hebben geleerd en ervaren dat onderzoek ook verbindend kan werken. Wanneer er oog is voor (liefst meer gedeeld) eigenaarschap en het proces aansluit op wat er nodig is. Gezamenlijke reflectie is veel te belangrijk om helemaal uit te besteden.

 

Onderzoeksproces

‘Ons soort’ onderzoek

Kenmerken van ‘ons soort’ onderzoek voor de publieke sector zijn bijvoorbeeld:

  • Onderzoek als zoektocht met een flexibel proces
  • Door eigen én externe ogen, gebruik makend van verschillende expertises (expert, ervaring, deskundig etc.)
  • Nabijheid staat onafhankelijkheid niet in de weg
  • De N doet er minder toe dan de rijkdom van de informatie
  • Het onderzoeksdoel is leidend
  • Plausabiliteit is belangrijker dan causaliteit; merkbaar belangrijker dan meetbaar
  • Verwachte en gewenste impact bepalen de vorm van de ‘producten’.

In opdrachten wordt ons nog wel eens gevraagd onze visie op onderzoek toe te lichten. Dat gebeurt bijvoorbeeld nog wel eens wanneer we in interviews. Pas nog vroeg een geïnterviewde “Maar jullie zijn toch de onderzoekers?”, nadat we hadden gevraagd wat volgens de geïnterviewde zelf het belangrijkste punt was. Ook opdrachtgevers die ons speciaal kiezen vanwege onze aanpak en resultaten, hebben soms wat extra duiding nodig van de achterliggende onderzoeksvisie. Zeker wanneer dit hun eerste kennismaking met een ‘ander soort onderzoek’ is. Het kan voor opdrachtgevers best uitdagend zijn om om te gaan met de flexibiliteit die nodig is voor een zo zinnig mogelijk onderzoek. Als niet alles van te voren vast staat, vergt dat een andere instelling dan men meestal gewend is.

In gesprek over onderzoek

De figuren maakten we om een paar van de verschillen duidelijk te maken. Werken ze ook voor u? Ze helpen ons om verwachtingen te bespreken en af te stemmen. Natuurlijk kunnen we ook het achterliggende wetenschapsfilosofische verhaal vertellen: over het onderscheid tussen verschillende onderzoeksparadigma’s (van positivistisch, post-positivistisch tot constructivistisch en kritische theorie). We merken echter dat niet iedere opdrachtgever daarop zit te wachten.

Uiteraard staat ‘ons soort’ onderzoek niet in beton gebijteld. Ook in de flexibiliteit moet flexibiliteit zitten. Bij de ene vraag zit nou eenmaal meer ruimte voor het zoeken naar passende vormen dan bij de andere. En in de ene setting is het bijvoorbeeld gemakkelijker om verschillende typen experts te betrekken dan in de andere. Ook dat is maatwerk : het afwegen van verschillende belangen. Het overbrengen van de verschillende visies op onderzoek zien we als ‘work in progress’. Heel inspirerend maar niet ‘af’. We gaan er graag mee door omdat we zien welke consequenties de heersende visie heeft in de dagelijkse praktijk. Dat maakt het voor ons en onze opdrachtgevers steeds weer belangrijk om over door te praten.

 

Manja Bomhoff
Yvonne van der Vlugt

 

**Mogen wij u vaker met dit soort inzichten inspireren? Ontvang een paar keer per jaar onze Inzichtenmail.**

Effect onderzoeken is maatwerk

In gesprek over effect

Als je met elkaar een goed gesprek wil voeren over effect kan  het zoeken zijn naar de insteek. Daarvoor is scherpte en maatwerk nodig. Anders loop je het risico dat je langs elkaar heen praat.

Over het onderzoeken van effect in het algemeen én in het toezicht zijn boeken vol geschreven. Die gaan soms over maatwerk, maar vaker nog over algemene evaluatiemethoden (vaak ‘SMART’). Wij spreken over effect (én invloed én impact) met inspecteurs bij verschillende inspecties. We vragen naar hun visie en ervaring en onderzoeken samen hoe het gesprek over effect zo productief mogelijk gevoerd kan worden. Dat inspecteurs onderling ook verschillend denken, zoals in dit artikel inspecteurs die meer reactief of meer proactief werken, nemen we daar graag in mee.

In dit actieonderzoek vragen we inspecteurs naar momenten waarop zij effect hebben gehad. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben.

Toezicht aan de voorkant: het voorkomen van problemen

Toezicht richt zich steeds vaker op het voorkomen van problemen. ‘Toezicht aan de voorkant’ met de bedoeling om handhaving op een later moment voor te zijn. (1)  De inspecteurs die wij spreken die zich bezighouden met dit type proactief toezicht zijn er vaak positief over. Ze hebben het idee dat het goed werkt:

“Wij voeren tegenwoordig gesprekken met nieuwe toetreders [startende organisaties]. Zodat deze organisaties weten wat ze kunnen verwachten van de inspectie. Eigenlijk geven we voorlichting. Volgens mij is dat een goede zaak. Op dat moment heb je als inspectie namelijk nog de ruimte om te vertellen wat er bij hoort en waar ze op moeten letten. Dat hoort ook echt bij ons werk, maar dat wordt nog wel eens vergeten.”

Zo’n proactieve aanpak kan ook werken bij ondertoezichtstaanden die al langer actief zijn. Zodat ze gewaarschuwd zijn voor sommige risico’s, of verder verbeteren. Sommige inspecteurs vertellen ondertoezichtstaanden graag over best practices in het veld. Of wijzen ondertoezichtstaanden op ruimte binnen de regels (zie Inspecteurs over hun vak).

Nog een mooi voorbeeld van proactief toezicht

Een inspecteur vertelt hoe hij zijn ervaringen inzet om een organisatie preventief te wijzen op mogelijke gevaren en risico’s.

“Een half jaar na het ernstige incident bij X was ik op inspectie bij Y. De organisaties waren vergelijkbaar. Navraag leerde dat Y geen kennis had van de toedracht van het incident bij X. Ook had men geen enkel idee of een dergelijk incident ook bij hen zou kunnen plaatsvinden. Ik bood Y aan om mijn kennis van de toedracht van het incident bij X met hen te delen. Voor zover het onderzoek dat toeliet, deelde ik tijdens een presentatie voor de voltallige leiding van Y, alles wat ze weten moesten over de toedracht, de oorzaken en de gevolgen van het incident. Mijn verslag werd in stilte en zonder enig tegenargument aangehoord. De leiding van Y ging zich beraden en nodigde mij al vrij snel uit voor een overleg. Ze hadden zelf onderzoek gedaan en besloten om te investeren in [kwaliteitsaspecten]. Het kostte Y meer dan twee jaar en een enorme investering. Toen was de gewenste kwaliteit bereikt.”

De inspecteur droeg deze casus aan als voorbeeld van een moment waarop hij vond dat hij echt impact had gehad. Hoe waardevol is het als een bedrijf niet alleen vanuit de angst voor handhaving het minimaal noodzakelijk doet, maar intrinsiek gemotiveerd is om het bedrijf veiliger te maken?

Toezicht gericht op handhaving: de ‘rotte appels’ eruit

We spreken ook met inspecteurs die zich vooral richten op de hardere handhaving. Die overtreders opsporen en ‘van de markt af willen krijgen’ en vooral veel ‘rotte appels’ tegenkomen. Deze inspecteurs kunnen hun werk en hun verhouding tot ondertoezichtstaanden heel anders zien:

“Ik hoef geen warme relatie met de ondertoezichtstaande. Wij gaan niet leuk uit elkaar. Sterker nog: ik achtervolg je de volgende keer weer.”

 

“Wij hebben als motto ‘ieder bedrijf heeft het recht gecontroleerd te worden’.  Wij willen dat bedrijven bang zijn om gecontroleerd te worden. Een ‘boeterapportje’ wordt lachend opzij geschoven. Samenwerking met opsporing, dat  is belangrijk, omdat je dan snel kunt schakelen naar strafrecht. Zo kun je de boeven echt pakken. We hebben een lijst van notoire overtreders. Dat moeten er nul worden.”

Hoort dit wel bij onze taak?

De proactieve aanpak met voorlichting en advisering verhoudt zich soms lastig tot wat de handhavende inspecteur ziet als zijn taak. Hij vindt zo’n ‘softe’ aanpak dan ook lastig. Niet passend bij de taak van de inspectie of bij zijn rol als inspecteur.

“Ik ben als inspecteur geworven, niet als voorlichter.”

Tegelijkertijd merken we van de adviserende inspecteurs dat het hen kan frustreren wanneer er te snel wordt gevraagd om handhavingsmiddelen in te zetten. Of wanneer in de verantwoording vooral gevraagd wordt om aantallen opgelegde sancties. Zij zien hoe een te harde aanpak bij hun doelgroep ook averechts kan werken. Daarnaast speelt ook bij deze inspecteurs een verschil in perspectief mee.

Je ziet inspecteurs die vooral te maken hebt met niet-willers (‘de boeven’) anders praten over de effectiviteit van handhavingsmaatregelen dan inspecteurs die vooral niet-weters (de onbewuste overtreders) tegenkomen. Wanneer inspecteurs vervolgens wordt gevraagd te werken met een aanpak die ze niet passend vinden, zie je dat hun energie weglekt. Als er geen sprake is van maatwerk in het nadenken over effect krijg je verlies van betrokkenheid en eigenaarschap. Dan passen de individuele ervaringen van effect niet goed genoeg bij de officiele rethoriek.

Verschil in visie en aanpak

De gesprekken met inspecteurs maken een verschil in visie zichtbaar. Focus je als toezichthouder op de naleving van wet- en regelgeving? Of heb je vooral aandacht voor het stimuleren van de  ondertoezichtstaanden en probeer je door advisering of voorlichting de organisaties de goede richting op te wijzen? Ben je meer van een reactieve aanpak waarbij het opleggen van sancties het zwaarste instrument is? Of ben je er juist van overtuigd dat voorkomen beter is dan genezen.

Van inspectievisie naar uitwerking in de praktijk

Op inspectieniveau kan er een uitgewerkte overkoepelende visie bestaan waarbinnen ruimte is voor verschillende aanpakken bij verschillende vraagstukken. Dat wil echter niet zeggen dat deze inspectievisie voor inspecteurs in het dagelijks werk voldoende richting geeft. Of de verschillen in aanpak tussen inspecteurs voldoende duidelijk maakt.  Zij merken op: Wat beoogt onze inspectie nou precies te bereiken? Als we dezelfde taakopdracht hebben, hoe kunnen onze aanpakken binnen die opdracht dan zo verschillen? En ook een relevante opmerking: Hoe komt het bij ondertoezichtstaanden over als we ze zo verschillend tegemoet treden? De verschillende aanpakken kunnen onderling schuren, zeggen ze.

‘We komen bij dezelfde organisaties, maar we hanteren niet één lijn.’

Sommige inspecteurs voelen frustratie of voelen zich niet voldoende gehoord als ze merken dat andere directies of inspecties hun aanpak en de resultaten die ze daarmee halen niet zien of onvoldoende waarderen.

Nadenken over effect is maatwerk

Met het simpel constateren van deze verschillen in visie en aanpak zijn we er niet. Elkaar overtuigen van de beste aanpak werkt ook niet.

Wat volgens ons wel kan helpen is een preciezer gesprek over het gewenste effect. Wat denken we dat op dit moment, bij dit probleem, met deze doelgroep, met deze wetgeving en deze andere stakeholders, binnen onze eigen mogelijkheden het meest effectief zal zijn? Door meer zicht te krijgen in de – ook mogelijk verschillende of elkaar aanvullende – beoogde effecten ontstaat ruimte om elkaars aanpak te verkennen en te waarderen wat werkt. Niet uniformiteit in de aanpak staat dan centraal, maar een aanpak die past bij de gewenste effecten. Maatwerk dus. Dan pas kun je elkaar ook kritische vragen stellen als: Waarom denk je te zien dat deze aanpak werkt (gelet op het beoogde effect)? Is er een andere stakeholder die dit effectiever zou kunnen doen? Waarom denken we dat wat eerder werkte nu ook werkt? Of hoe verhoudt dit (beoogde) effect zich tot andere effecten die we binnen ons team of binnen onze inspectie willen bereiken? Dit soort vragen brengen inspecteurs -ook wanneer ze verschillend denken over ‘de beste aanpak- verder. Het is wel wat anders dan het SMART denken waar veel mensen in getraind zijn. Misschien tijd voor een nieuwe acronym?

 

Voetnoot

(1)Natuurlijk zijn er toezichtsgebieden waarbij het toezicht ‘aan de voorkant’ al langer wettelijk is geregeld. Een vliegtuigmaatschappij of een ziekenhuis begin je niet zomaar. Er zijn regels waaraan je in die sectoren moet voldoen voordat je überhaupt mag beginnen. Op die regels wordt toezicht gehouden, bijvoorbeeld door controles van verplichte certificering. Maar er zijn ook sectoren waarin geen wettelijke voorwaarden worden gesteld om een onderneming of organisatie te mogen beginnen. Waar je geen diploma, certificering of toestemming nodig hebt om aan de slag te gaan. Als je eenmaal begonnen bent heb je je dan wel te houden aan wet- en regelgeving over de kwaliteit van je dienst of product. En kun je boetes of andere sancties verwachten wanneer je dat niet doet. Maar omdat achteraf straffen ook niet altijd de oplossing lijkt, worden sommige inspecties steeds proactiever en richten ze zich, zonder expliciete wettelijke opdracht, op preventie.

 

Manja Bomhoff
Yvonne van der Vlugt

 

**Mogen wij u vaker met dit soort inzichten inspireren? Ontvang een paar keer per jaar onze Inzichtenmail.**