Effect onderzoeken is maatwerk

Maatwerk in het onderzoeken van effect

In gesprek over effect

Als je met elkaar een goed gesprek wil voeren over effect kan  het zoeken zijn naar de insteek. Daarvoor is scherpte en maatwerk nodig. Anders loop je het risico dat je langs elkaar heen praat.

Over het onderzoeken van effect in het algemeen én in het toezicht zijn boeken vol geschreven. Die gaan soms over maatwerk, maar vaker nog over algemene evaluatiemethoden (vaak ‘SMART’). Wij spreken over effect (én invloed én impact) met inspecteurs bij verschillende inspecties. We vragen naar hun visie en ervaring en onderzoeken samen hoe het gesprek over effect zo productief mogelijk gevoerd kan worden. Dat inspecteurs onderling ook verschillend denken, zoals in dit artikel inspecteurs die meer reactief of meer proactief werken, nemen we daar graag in mee.

In dit actieonderzoek vragen we inspecteurs naar momenten waarop zij effect hebben gehad. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben.

Toezicht aan de voorkant: het voorkomen van problemen

Toezicht richt zich steeds vaker op het voorkomen van problemen. ‘Toezicht aan de voorkant’ met de bedoeling om handhaving op een later moment voor te zijn. (1)  De inspecteurs die wij spreken die zich bezighouden met dit type proactief toezicht zijn er vaak positief over. Ze hebben het idee dat het goed werkt:

“Wij voeren tegenwoordig gesprekken met nieuwe toetreders [startende organisaties]. Zodat deze organisaties weten wat ze kunnen verwachten van de inspectie. Eigenlijk geven we voorlichting. Volgens mij is dat een goede zaak. Op dat moment heb je als inspectie namelijk nog de ruimte om te vertellen wat er bij hoort en waar ze op moeten letten. Dat hoort ook echt bij ons werk, maar dat wordt nog wel eens vergeten.”

Zo’n proactieve aanpak kan ook werken bij ondertoezichtstaanden die al langer actief zijn. Zodat ze gewaarschuwd zijn voor sommige risico’s, of verder verbeteren. Sommige inspecteurs vertellen ondertoezichtstaanden graag over best practices in het veld. Of wijzen ondertoezichtstaanden op ruimte binnen de regels (zie Inspecteurs over hun vak).

Nog een mooi voorbeeld van proactief toezicht

Een inspecteur vertelt hoe hij zijn ervaringen inzet om een organisatie preventief te wijzen op mogelijke gevaren en risico’s.

“Een half jaar na het ernstige incident bij X was ik op inspectie bij Y. De organisaties waren vergelijkbaar. Navraag leerde dat Y geen kennis had van de toedracht van het incident bij X. Ook had men geen enkel idee of een dergelijk incident ook bij hen zou kunnen plaatsvinden. Ik bood Y aan om mijn kennis van de toedracht van het incident bij X met hen te delen. Voor zover het onderzoek dat toeliet, deelde ik tijdens een presentatie voor de voltallige leiding van Y, alles wat ze weten moesten over de toedracht, de oorzaken en de gevolgen van het incident. Mijn verslag werd in stilte en zonder enig tegenargument aangehoord. De leiding van Y ging zich beraden en nodigde mij al vrij snel uit voor een overleg. Ze hadden zelf onderzoek gedaan en besloten om te investeren in [kwaliteitsaspecten]. Het kostte Y meer dan twee jaar en een enorme investering. Toen was de gewenste kwaliteit bereikt.”

De inspecteur droeg deze casus aan als voorbeeld van een moment waarop hij vond dat hij echt impact had gehad. Hoe waardevol is het als een bedrijf niet alleen vanuit de angst voor handhaving het minimaal noodzakelijk doet, maar intrinsiek gemotiveerd is om het bedrijf veiliger te maken?

Toezicht gericht op handhaving: de ‘rotte appels’ eruit

We spreken ook met inspecteurs die zich vooral richten op de hardere handhaving. Die overtreders opsporen en ‘van de markt af willen krijgen’ en vooral veel ‘rotte appels’ tegenkomen. Deze inspecteurs kunnen hun werk en hun verhouding tot ondertoezichtstaanden heel anders zien:

“Ik hoef geen warme relatie met de ondertoezichtstaande. Wij gaan niet leuk uit elkaar. Sterker nog: ik achtervolg je de volgende keer weer.”

 

“Wij hebben als motto ‘ieder bedrijf heeft het recht gecontroleerd te worden’.  Wij willen dat bedrijven bang zijn om gecontroleerd te worden. Een ‘boeterapportje’ wordt lachend opzij geschoven. Samenwerking met opsporing, dat  is belangrijk, omdat je dan snel kunt schakelen naar strafrecht. Zo kun je de boeven echt pakken. We hebben een lijst van notoire overtreders. Dat moeten er nul worden.”

Hoort dit wel bij onze taak?

De proactieve aanpak met voorlichting en advisering verhoudt zich soms lastig tot wat de handhavende inspecteur ziet als zijn taak. Hij vindt zo’n ‘softe’ aanpak dan ook lastig. Niet passend bij de taak van de inspectie of bij zijn rol als inspecteur.

“Ik ben als inspecteur geworven, niet als voorlichter.”

Tegelijkertijd merken we van de adviserende inspecteurs dat het hen kan frustreren wanneer er te snel wordt gevraagd om handhavingsmiddelen in te zetten. Of wanneer in de verantwoording vooral gevraagd wordt om aantallen opgelegde sancties. Zij zien hoe een te harde aanpak bij hun doelgroep ook averechts kan werken. Daarnaast speelt ook bij deze inspecteurs een verschil in perspectief mee.

Je ziet inspecteurs die vooral te maken hebt met niet-willers (‘de boeven’) anders praten over de effectiviteit van handhavingsmaatregelen dan inspecteurs die vooral niet-weters (de onbewuste overtreders) tegenkomen. Wanneer inspecteurs vervolgens wordt gevraagd te werken met een aanpak die ze niet passend vinden, zie je dat hun energie weglekt. Als er geen sprake is van maatwerk in het nadenken over effect krijg je verlies van betrokkenheid en eigenaarschap. Dan passen de individuele ervaringen van effect niet goed genoeg bij de officiele rethoriek.

Verschil in visie en aanpak

De gesprekken met inspecteurs maken een verschil in visie zichtbaar. Focus je als toezichthouder op de naleving van wet- en regelgeving? Of heb je vooral aandacht voor het stimuleren van de  ondertoezichtstaanden en probeer je door advisering of voorlichting de organisaties de goede richting op te wijzen? Ben je meer van een reactieve aanpak waarbij het opleggen van sancties het zwaarste instrument is? Of ben je er juist van overtuigd dat voorkomen beter is dan genezen.

Van inspectievisie naar uitwerking in de praktijk

Op inspectieniveau kan er een uitgewerkte overkoepelende visie bestaan waarbinnen ruimte is voor verschillende aanpakken bij verschillende vraagstukken. Dat wil echter niet zeggen dat deze inspectievisie voor inspecteurs in het dagelijks werk voldoende richting geeft. Of de verschillen in aanpak tussen inspecteurs voldoende duidelijk maakt.  Zij merken op: Wat beoogt onze inspectie nou precies te bereiken? Als we dezelfde taakopdracht hebben, hoe kunnen onze aanpakken binnen die opdracht dan zo verschillen? En ook een relevante opmerking: Hoe komt het bij ondertoezichtstaanden over als we ze zo verschillend tegemoet treden? De verschillende aanpakken kunnen onderling schuren, zeggen ze.

‘We komen bij dezelfde organisaties, maar we hanteren niet één lijn.’

Sommige inspecteurs voelen frustratie of voelen zich niet voldoende gehoord als ze merken dat andere directies of inspecties hun aanpak en de resultaten die ze daarmee halen niet zien of onvoldoende waarderen.

Nadenken over effect is maatwerk

Met het simpel constateren van deze verschillen in visie en aanpak zijn we er niet. Elkaar overtuigen van de beste aanpak werkt ook niet.

Wat volgens ons wel kan helpen is een preciezer gesprek over het gewenste effect. Wat denken we dat op dit moment, bij dit probleem, met deze doelgroep, met deze wetgeving en deze andere stakeholders, binnen onze eigen mogelijkheden het meest effectief zal zijn? Door meer zicht te krijgen in de – ook mogelijk verschillende of elkaar aanvullende – beoogde effecten ontstaat ruimte om elkaars aanpak te verkennen en te waarderen wat werkt. Niet uniformiteit in de aanpak staat dan centraal, maar een aanpak die past bij de gewenste effecten. Maatwerk dus. Dan pas kun je elkaar ook kritische vragen stellen als: Waarom denk je te zien dat deze aanpak werkt (gelet op het beoogde effect)? Is er een andere stakeholder die dit effectiever zou kunnen doen? Waarom denken we dat wat eerder werkte nu ook werkt? Of hoe verhoudt dit (beoogde) effect zich tot andere effecten die we binnen ons team of binnen onze inspectie willen bereiken? Dit soort vragen brengen inspecteurs -ook wanneer ze verschillend denken over ‘de beste aanpak- verder. Het is wel wat anders dan het SMART denken waar veel mensen in getraind zijn. Misschien tijd voor een nieuwe acronym?

 

Voetnoot

(1)Natuurlijk zijn er toezichtsgebieden waarbij het toezicht ‘aan de voorkant’ al langer wettelijk is geregeld. Een vliegtuigmaatschappij of een ziekenhuis begin je niet zomaar. Er zijn regels waaraan je in die sectoren moet voldoen voordat je überhaupt mag beginnen. Op die regels wordt toezicht gehouden, bijvoorbeeld door controles van verplichte certificering. Maar er zijn ook sectoren waarin geen wettelijke voorwaarden worden gesteld om een onderneming of organisatie te mogen beginnen. Waar je geen diploma, certificering of toestemming nodig hebt om aan de slag te gaan. Als je eenmaal begonnen bent heb je je dan wel te houden aan wet- en regelgeving over de kwaliteit van je dienst of product. En kun je boetes of andere sancties verwachten wanneer je dat niet doet. Maar omdat achteraf straffen ook niet altijd de oplossing lijkt, worden sommige inspecties steeds proactiever en richten ze zich, zonder expliciete wettelijke opdracht, op preventie.

 

Evaluatie klachtbehandeling Defensie

Klachtbehandeling bij Defensie – een evaluatie

Wat kan er beter?

Hoe wordt de klachtbehandeling bij Defensie ervaren? Wat gaat er volgens klagers, beklaagden en betrokken professionals goed, maar vooral ook: wat kan er beter?  Het ministerie van Defensie heeft Yvonne van der Vlugt en Manja Bomhoff gevraagd hiernaar onderzoek te doen. Afgelopen week stuurden de minister en de staatssecretaris dit onderzoek met begeleidende brief naar de Tweede Kamer. In de evaluatie ligt de focus op de factoren die de ervaringen van betrokkenen positief of negatief beïnvloeden en op wat er nodig is om de klachtbehandeling voor (oud)medewerkers van Defensie te verbeteren.

Aanleiding voor deze evaluatie zijn kritische rapporten van de Nationale ombudsman in zijn rol als Veteranenombudsman, vragen van de Tweede Kamer en de eigen behoefte van Defensie aan handvatten voor verbetering van de klachtbehandeling.

Van strakke procedure naar flexibel proces

Goede klachtbehandeling is belangrijk voor het vertrouwen van medewerkers in de organisatie. Adequate omgang met ongenoegens draagt bij aan goed werkgeverschap en versterkt de lerende organisatie. Uit deze evaluatie blijkt dat Defensie op al deze punten nog grote stappen kan zetten. Beoogde doelen van klagers en beklaagden en verwachtingen van klachtbehandeling worden zelden gerealiseerd. Dit vermindert het vertrouwen in de defensieorganisatie.

Dit komt vooral door een te strakke, formele procedure. Voor een goede klachtbehandeling is een flexibel proces nodig. De wet (Awb) en de Klachtenregeling Defensie bieden veel meer ruimte voor een passende behandeling van ongenoegens. Defensie maakt gebruik van een smalle, formele klachtdefinitie die intern en extern tot verwarring en miscommunicatie leidt. Dit versterkt het formele, negatieve beeld van klachten. Net zoals klagen bij het koffiezetapparaat dagelijks gebeurt, zou het ook gangbaar moeten zijn om ongenoegens mondeling of schriftelijk bij een leidinggevende neer te leggen. Deze pakt de klacht dan serieus en adequaat op, zonder dat daar als vanzelfsprekend een formele procedure voor wordt opgestart.

Aansluiten bij behoeften

Klachtbehandeling bij Defensie moet en kan beter aansluiten bij de behoeften van klagers en beklaagden. Er valt veel te winnen door nadrukkelijker stil te staan bij de behoeften van klagers en beklaagden en deze expliciet te bevragen. Het serieus nemen van de specifieke klachtcontext en individuele behoeften is niet hetzelfde als het inwilligen van alle wensen. Dit rapport laat zien dat klagers met hun klacht verschillende doelen kunnen hebben. Zo kunnen ze met hun klacht bijvoorbeeld de organisatie willen verbeteren of juist het gedrag van de beklaagde stoppen. Ook de waarden die voor klagers en beklaagden bij klachtbehandeling belangrijk zijn, zoals geheimhouding, onafhankelijkheid en voortvarendheid kunnen verschillende betekenissen hebben. Er past dus geen standaard formele procedure.

Luisteren en goede voorbeelden delen

Professionals en leidinggevenden die binnen defensie bij klachtbehandeling betrokken zijn, gaan te vaak uit van hun eigen (impliciete) logica’s over wat klachtbehandeling inhoudt. Hierdoor bestaan er afzonderlijke procedures voor klachten, meldingen en ongenoegens. Dat heeft lastige overgangen en processen tot gevolg die niet, of soms toevallig, aansluiten bij wat er nodig is. Leidinggevenden en de ondersteunende professionals kunnen een belangrijke rol spelen in het luisteren naar betrokkenen. Daarnaast kunnen ze ook het leren van klachten verder brengen door voorbeelden van leerzame klachten en constructieve vormen van klachtbehandeling breder te delen. Deze evaluatie doet daar een voorzet toe.

Beleidsreactie

In de beleidsreactie naar aanleiding van deze evaluatie geven de minister en de staatssecretaris van Defensie aan dat veel van de aanbevelingen uit het rapport zijn of worden opgepakt. Zo zal er een ruimere definitie worden gehanteerd waaronder ook onbehoorlijkheidsklachten en klachten ongewenst gedrag vallen:

“De medewerker doet zijn verhaal zonder zich druk te hoeven te maken over de juridische kwalificatie en wijze van afhandelen: als melding, als klacht, of anders. Gedurende het hele traject staan de belangen van de betrokken medewerker(s) centraal.”

Leidinggevenden en procesdeskundigen krijgen handvatten om klachten en meldingen te behandelen. Daarbij wordt ook inzicht gegeven in de ruimte die onder andere de Klachtregeling Defensie biedt voor het (in)formeel behandelen van een klacht of een melding, bijvoorbeeld door een goed gesprek of mediation. Verder wil Defensie het netwerk van procesdeskundigen zichtbaarder maken, zodat leidinggevenden en medewerkers deze deskundigen beter weten te vinden. Ook de procesdeskundigen zelf worden gestimuleerd om elkaar beter te vinden. Er worden kennistafels georganiseerd zodat zij ervaringen kunnen uitwisselen over de verschillende werkwijzen die zij hanteren. Zo wil Defensie stimuleren dat er intern van elkaar wordt geleerd.

 

De Tweede Kamer bespreekt deze evaluatie van de klachtbehandeling bij Defensie op 14 november 2019. Hier vindt u het volledige rapport.

Inschrijving voor 'Aandacht voor wat werkt'

Deelnemen aan het actieonderzoek?

Geïnteresseerd in analytische reflectie van (je eigen) inspectiewerk?

Inspecteurs van de verschillende rijksinspecties kunnen nu in een gemengde groep deelnemen aan het actieonderzoek ‘Aandacht voor wat werkt’. Zij nemen hun eigen werk als onderwerp van onderzoek en doen, onder begeleiding van het Inzichtenlab, actieonderzoek naar wat werkt. Gezamenlijk zoeken we naar manieren om anders te gaan kijken naar effecten van inspectiewerk. Het project wordt mogelijk gemaakt door de Inspectieraad.

Hoe? In circa 6 sessies wordt gewerkt aan een gezamenlijk actieonderzoek waarin de mogelijke effecten van het eigen inspectiewerk centraal staan.

Met welke vragen gaan we aan de slag?

Op welke momenten in je werk heb je het idee dat het écht impact heeft wat je doet? Dat het werk er toe doet en dat het werkt? Dat de ondertoezichtstaande of de mensen die met hen te maken hebben, (op den duur) beter worden van jouw inzet als inspecteur?

Het is belangrijk om met elkaar voldoende stil te staan bij dit soort momenten en uit te zoeken welke keuzes je waarom hebt gemaakt en waar die veronderstelde effecten hem precies in zitten. Ook als die lastiger meetbaar of controleerbaar zijn, zijn ze namelijk niet minder waardevol. Het nadenken over dit soort vragen en inzicht te krijgen in de achterliggende afwegingen van jou en van jouw collega-inspecteur kan helpen om het werk (nog) beter te doen.

Aanbod: Met een groep van geïnteresseerde collega-inspecteurs van verschillende rijksinspecties ga je in gesprek over je werk. Samen gaan we op zoek naar de waarde ervan en hoe dit in kaart te brengen. Je krijgt vragen gesteld die je wellicht op een andere manier naar je werk laten kijken. Omdat jouw werk centraal staat kun je veel invloed uitoefenen op waar het vooral over moet gaan.

Inspecteurs over hun vak

Aanleiding en achtergrond: Dit actieonderzoek is een vervolg op het onderzoek ‘Inspecteurs over hun vak’, waarbij ook de ervaringen van inspecteurs centraal stonden. Zie  https://www.rijksinspecties.nl/publicaties/publicaties/2017/07/05/inspecteurs-over-hun-vak

Hoeveel tijd kost me dit en wat heb ik er aan? De losse sessies zijn steeds 2 uur en vinden plaats in Utrecht. Tussentijds wordt van je verwacht dat je de met elkaar ontwikkelde opdrachten of missies ook daadwerkelijk uitvoert. Je hebt dus invloed op de hoeveelheid voorbereidingstijd. We beginnen begin 2020 en ronden in het najaar af.

Ben je geïnteresseerd? Laat je leidinggevende weten dat je geïnteresseerd bent en stuur dan jouw motivatie naar inspecteurs@hetinzichtenlab.nl

 

 

In gesprek met ondertoezichtstaanden

Tijdens het VNG/ GGD GHOR congres  ‘Handhaving en Naleving’ ging Manja Bomhoff in gesprek met ondertoezichtstaanden voor een publiek van GGD inspecteurs en handhavers van verschillende gemeenten.

Een houder van een gastouderbureau, een bestuurder bij een organisatie in verslavingszorg en een pedagogisch beleidsmedewerker in de kinderopvang vertelden over hun ervaringen met het toezicht door de GGD’en.

Onderwerpen die voorbij kwamen waren o.a. kwaliteit, stimulerende vragen, toezichtlast, uniformiteit. De ondertoezichtstaanden vertelden wat zij zagen als goed toezicht, benadrukten het belang van goed vertaalwerk tussen het beleid en de praktijk en spraken uit wat zij zouden doen met ‘de rotte appels’ als ze het voor het zeggen hadden.

Het was een bijzondere dag. Wat hadden deze ondertoezichtstaanden mooie nieuwe gezichtspunten, bijzondere ervaringen en innovatieve ideeën toe te voegen aan het gesprek over toezicht. Heel mooi dat GGD GHOR Nederland dit organiseerde en deze ondertoezichtstaanden op deze manier een podium bood om hun ervaringen te delen.

Van ervaring naar impact

Van ervaring naar impact

Lastige vragen over impact

Noem ons megalomaan of naïef, maar Yvonne en ik willen allebei graag dat ons werk er toe doet. Hoewel we heel verschillend zijn, vinden we elkaar volledig in dat we het belangrijk vinden dat ons werk nut heeft. Dat klinkt misschien overdreven. Maar het zit hem vaak juist in kleine dingen. Zo blikken we samen terug op onze ervaringen: Hebben we misschien een perspectief kunnen toevoegen dat anders over over het hoofd was gezien? Konden we gebruik maken van onze onafhankelijke positie en een nieuw inzicht aandragen? Impact- onze eigen definitie daarvan- is één van onze belangrijkste maatstaven die we gebruiken om te kijken of het nog goed gaat.

Maar nadenken over impact of effecten is helemaal nog niet zo makkelijk. Niet alleen voelt het soms wel erg megalomaan (“Alsof de hele wereld om jou draait!”) of juist naïef (“Er zijn meer factoren van invloed, hoor”). Soms is het lastig om de tijd of de ruimte te nemen om hierover na te denken, een volgende inspectie of onderzoek ligt immers al te wachten. Bovendien is het denken over deze onderwerpen zo sterk beïnvloedt door een specifiek ‘meten is weten’ denken dat het vaak al stopt voor het goed en wel begonnen is.

Dat maakt het nadenken over dit soort vragen voor veel mensen lastig. Zeker in sectoren met een sterke verantwoordingscultuur (zie het RVS rapport over dit onderwerp). De inspecteurs die wij spreken in het kader van Inspecteurs over hun vak zijn ook in dit denken getraind. Het maakt dat ze niet gewend zijn om vragen over impact en effecten van hun eigen optreden te beantwoorden.Want mag je dit soort vragen eigenlijk wel beantwoorden zonder de onderbouwing van een onafhankelijk uitgevoerd effectenonderzoek?

Wanneer is jouw werk nuttig? Wat zijn momenten waarop jouw werk er toe doet, je positieve verandering tot stand brengt? Wanneer ben jij van waarde voor de publieke zaak?

Beter worden door vragen te stellen

Maar dit soort vragen staan aan de basis van verbetering. Professionalisering gaat hand in hand met een intrinsieke wens tot kwaliteitsverbetering. Daar is continue reflectie over de (mogelijke) invloed van het eigen individuele en collectieve handelen voor nodig. Om te kunnen verbeteren moet je immers nadenken over wat eerder wel of niet heeft gewerkt en vooral waarom. Je kunt dat niet beperken tot die paar onderwerpen waar een volledige studie naar is verricht. Dan mis je veel te veel.

De afgelopen jaren is bij de rijksinspecties veel nadruk komen te liggen op het in kaart brengen van effecten van toezicht. Bij het verzamelen van al die ‘evidence’  worden bepaalde ‘regels’ gehanteerd. Die maken dat sommige invloeden eerder zichtbaar worden (gemaakt) dan anderen. Zo wordt er…

  • bij voorkeur gekeken naar causale relaties, dat geeft immers het sterkste bewijs voor effecten.
  • graag gegeneraliseerd en gesimplificeerd zodat de opgedane kennis in potentie op veel toekomstige gevallen van toepassing kan zijn.
  • gezocht naar objectieve informatie.
  • gekwantificeerd gemeten en gebruik gemaakt van grote aantallen.
  • met controlegroepen gewerkt.
  • gekeken naar grotere verbanden, grotere processen en grotere relaties.
  • (inspecteur) overstijgend gekeken, dus ofwel op inspectieniveau ofwel op geaggregeerd inspectieniveau.

Door al deze mechanismen, waar natuurlijk nog veel meer over te zeggen valt, krijgt het alledaagse, het contextspecifieke, het kleine, het complexe en het subtiele veel minder aandacht. Terwijl dat juist is waar de individuele inspecteur (of het team) mee te maken heeft.

Hoe te kijken naar je eigen impact?

Tegelijkertijd wordt van responsieve inspecteurs nu juist verwacht dat zij de context en de individuele omstandigheden slim in ogenschouw nemen en lerend en reflectief werken. De ontwikkeling van de daarvoor benodigde vaardigheden van inspecteurs vergt een ander evaluatief kader dan wat de hierboven beschreven effectmetingen bieden. Een belangrijk doel is om de achterliggende waarden en aannames over dit deel van het inspectiewerk te expliciteren. Wanneer individuele en contextspecifieke ervaringskennis namelijk impliciet blijft en niet wordt geanalyseerd, wordt ze vaak ‘gedegradeerd’ tot intuïtie en blijft ze lastig toetsbaar en overdraagbaar.

Met andere woorden: zouden de eigen ervaringen niet vaker de basis moeten vormen voor onderzoek (in de breedste zin van het woord) naar effecten en impact?

In sessies met inspecteurs draaien we het daarom om. We beginnen met te vragen naar momenten waarop zij het gevoel hadden het verschil te maken. Hoe klein of hoe groot of hoe subjectief ook. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we naar hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben. Als de ervaring vervolgens echt een positieve invloed lijkt te hebben gehad komt de volgende stap: kijken of het verder uit te bouwen is zodat meer mensen, inspecteurs, casus er profijt kunnen hebben.