Inschrijving voor 'Aandacht voor wat werkt'

Deelnemen aan het actieonderzoek?

Geïnteresseerd in analytische reflectie van (je eigen) inspectiewerk?

Inspecteurs van de verschillende rijksinspecties kunnen nu in een gemengde groep deelnemen aan het actieonderzoek ‘Aandacht voor wat werkt’. Zij nemen hun eigen werk als onderwerp van onderzoek en doen, onder begeleiding van het Inzichtenlab, actieonderzoek naar wat werkt. Gezamenlijk zoeken we naar manieren om anders te gaan kijken naar effecten van inspectiewerk. Het project wordt mogelijk gemaakt door de Inspectieraad.

Hoe? In circa 6 sessies wordt gewerkt aan een gezamenlijk actieonderzoek waarin de mogelijke effecten van het eigen inspectiewerk centraal staan.

Met welke vragen gaan we aan de slag?

Op welke momenten in je werk heb je het idee dat het écht impact heeft wat je doet? Dat het werk er toe doet en dat het werkt? Dat de ondertoezichtstaande of de mensen die met hen te maken hebben, (op den duur) beter worden van jouw inzet als inspecteur?

Het is belangrijk om met elkaar voldoende stil te staan bij dit soort momenten en uit te zoeken welke keuzes je waarom hebt gemaakt en waar die veronderstelde effecten hem precies in zitten. Ook als die lastiger meetbaar of controleerbaar zijn, zijn ze namelijk niet minder waardevol. Het nadenken over dit soort vragen en inzicht te krijgen in de achterliggende afwegingen van jou en van jouw collega-inspecteur kan helpen om het werk (nog) beter te doen.

Aanbod: Met een groep van geïnteresseerde collega-inspecteurs van verschillende rijksinspecties ga je in gesprek over je werk. Samen gaan we op zoek naar de waarde ervan en hoe dit in kaart te brengen. Je krijgt vragen gesteld die je wellicht op een andere manier naar je werk laten kijken. Omdat jouw werk centraal staat kun je veel invloed uitoefenen op waar het vooral over moet gaan.

Inspecteurs over hun vak

Aanleiding en achtergrond: Dit actieonderzoek is een vervolg op het onderzoek ‘Inspecteurs over hun vak’, waarbij ook de ervaringen van inspecteurs centraal stonden. Zie  https://www.rijksinspecties.nl/publicaties/publicaties/2017/07/05/inspecteurs-over-hun-vak

Hoeveel tijd kost me dit en wat heb ik er aan? De losse sessies zijn steeds 2 uur en vinden plaats in Utrecht. Tussentijds wordt van je verwacht dat je de met elkaar ontwikkelde opdrachten of missies ook daadwerkelijk uitvoert. Je hebt dus invloed op de hoeveelheid voorbereidingstijd. We beginnen begin 2020 en ronden in het najaar af.

De data voor de bijeenkomsten zijn: 16 januari, 13 februari, 12 maart, 23 april, 28 mei, 25 juni en nog een slotbijeenkomst op een nader te bepalen moment.

Ben je geïnteresseerd? Laat je leidinggevende weten dat je geïnteresseerd bent en stuur dan jouw motivatie naar inspecteurs@hetinzichtenlab.nl

 

 

Perspectief inspecteurs

Welk perspectief kies jij?

Inkleuring van maatschappelijke betrokkenheid

Maatschappelijke betrokkenheid is voor veel inspecteurs een belangrijke drijfveer. “De kans dat er in het veld iets misgaat is klein, maar het effect is groot.” “Ik heb een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Mij motiveert om uit te zoeken wat er is gebeurd, en me niet neerleggen bij fouten. Recht doen aan de zaak.” “Het is fijn om iets te kunnen betekenen voor mensen in hun werksituatie. Zodat zij ’s avonds weer veilig en gezond huiswaarts kunnen keren.” Doorvragend blijkt deze maatschappelijke betrokkenheid bij inspecteurs verbonden te zijn met verschillende perspectieven.

Perspectief van de professional in het veld

Sommige inspecteurs benaderen hun werk vanuit hun eigen ervaring als professional in het veld. In hun inspectiewerk willen ze bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het beleidsterrein waar ze toezicht op houden.

“Voor mij is inspectiewerk bijdragen aan de kwaliteit van het veld. Hiervoor heb ik 10 jaar zelf als professional in het veld gewerkt. Bij de inspectie kan ik dat doen meer vanuit de achterkant, waarbij je toekijkt als het al gebeurd is en niet zozeer zelf bezig bent met creatie. Ik gebruik mijn achtergrond in de waardering van de informatie die ik krijg. Het beïnvloedt de manier waarop ik kijk naar meldingen of naar de houding van mensen bij meldingen. Ik kan me goed verplaatsen in wat dit betekent voor de verschillende mensen. In ons overleg merk ik dat dat een aanvulling is op wat er al is. In plaats van heel negatief oordelend, wil ik ook in kaart brengen of belichten ‘hoe zit die ander erin?’.’ Kun je je voorstellen wat die ander aan het beleven is?’. Ik waardeer het vak van de professional. Ik voel me verbonden met de mensen die dat werk in het veld doen.”

Perspectief van de burger

In reactie hierop benadrukte een andere inspecteur het waardevol te vinden dat er inspecteurs zijn met praktijkervaring uit het veld omdat zij een goede vertaalslag kunnen maken. Voor zichzelf vindt hij het vooral van waarde dat hij juist géén achtergrond of verbinding met het veld heeft.

“Dat vind ik soms ook heel erg fijn, omdat ik het gevoel heb dat ik daardoor als burger kan kijken. En dat vind ik waardevol. Ik vind niet dat wij als inspectie er zijn voor de professional, maar veel meer voor de burger. Met die motivatie leek mij dit vak heel erg mooi: dat je voor iedereen in Nederland zorgt dat de kwaliteit goed is. Daarvoor vind ik het juist makkelijk dat ik me niet zo makkelijk kan inleven in de beroepsgroep. Ik vind het fijn om die afstand te hebben. Soms doet het er niet toe dat het heel invoelbaar en begrijpelijk is dat het misgaat. Want eigenlijk willen we voor een bepaalde kwaliteit staan. En hoe begrijpelijk het soms is dat het misgaat, als je er voor de burger bent, dan moet je dat soms niet accepteren en durven op te treden op die momenten. En ik vind dat je daar als inspecteur een rol hebt die je moet durven nemen.”

Een waardevol gesprek volgde tussen de inspecteurs. Voor welk perspectief sta jij in je werk? We vroegen door over de perspectieven en of deze tijdens overleggen ook wel expliciet benoemd worden.

“Eigenlijk nemen we niet voldoende tijd om deze rollen zo te benoemen. Twee medewerkers behandelen de casus en dan maakt het eigenlijk niet zo uit of er nog andere perspectieven aan tafel zitten.”

Perspectieven expliciet inzetten

Uit gesprekken blijkt dat inspecteurs vanuit verschillende perspectieven, vanuit verschillende waarden naar hun inspectiewerk kijken. We komen bijvoorbeeld ook wel eens het beleidsperspectief of een repressief perspectief tegen. Al deze perspectieven zijn direct van invloed op hoe inspecteurs naar hun werk kijken, welke afwegingen en keuzes zij maken.

Wat is het effect als deze perspectieven impliciet blijven en niet naar elkaar kenbaar worden gemaakt? Terwijl, zoals blijkt, een gesprek hierover zoveel inzicht kan geven in elkaars waarden en in elkaars optreden. Een inspecteur vertelde:

“Ik herken dit wel in ons overleg. Laatst hadden we bespreking en toen ging jij er ook echt voor staan: ‘Als deze ondertoezichtstaande echt helemaal niet meewerkt aan onderzoek, hoe kan het dan zijn dat hij ermee weg kan komen? Dat zegt ook iets over iemands houding.’ Toen ging jij staan voor de maatschappij: dat kunnen we niet zo toelaten. Dat hebben we toen expliciet meegenomen in onze beslissing.“

Sterker nog: deze verschillende perspectieven kunnen het inspectiewerk versterken. Het gaat bij inspectiewerk om het afwegen van belangen, om als intermediair een zorgvuldige en gewogen beslissing te nemen die recht doet aan de context. De echt interessante vraag is: Op welke manier kunnen we deze perspectieven en waarden expliciet maken en vervolgens benutten om ons werk te verbeteren? In hoeverre kun je inspecteurs expliciet een perspectief laten ‘innemen’ en zo met elkaar reflecteren op een casus?

We zijn benieuwd of het denken in perspectieven ook bij andere inspecteurs herkenning, verbazing of iets anders oproept. Voor welk perspectief sta jij? Of benadruk jij juist weer een ander perspectief? En vooral: verkennen jullie met elkaar op welke manier je deze verschillende perspectieven met elkaar bespreekbaar kunt maken? In hoeverre kun je deze perspectieven juist benutten om het werk te verbeteren? Of is het moeilijk om te erkennen dat er verschillende perspectieven bestaan wanneer er een soort neutrale objectieve houding van je wordt verwacht.

Graag horen we jouw ervaring!

Van ervaring naar impact

Van ervaring naar impact

Lastige vragen over impact

Noem ons megalomaan of naïef, maar Yvonne en ik willen allebei graag dat ons werk er toe doet. Hoewel we heel verschillend zijn, vinden we elkaar volledig in dat we het belangrijk vinden dat ons werk nut heeft. Dat klinkt misschien overdreven. Maar het zit hem vaak juist in kleine dingen. Zo blikken we samen terug op onze ervaringen: Hebben we misschien een perspectief kunnen toevoegen dat anders over over het hoofd was gezien? Konden we gebruik maken van onze onafhankelijke positie en een nieuw inzicht aandragen? Impact- onze eigen definitie daarvan- is één van onze belangrijkste maatstaven die we gebruiken om te kijken of het nog goed gaat.

Maar nadenken over impact of effecten is helemaal nog niet zo makkelijk. Niet alleen voelt het soms wel erg megalomaan (“Alsof de hele wereld om jou draait!”) of juist naïef (“Er zijn meer factoren van invloed, hoor”). Soms is het lastig om de tijd of de ruimte te nemen om hierover na te denken, een volgende inspectie of onderzoek ligt immers al te wachten. Bovendien is het denken over deze onderwerpen zo sterk beïnvloedt door een specifiek ‘meten is weten’ denken dat het vaak al stopt voor het goed en wel begonnen is.

Dat maakt het nadenken over dit soort vragen voor veel mensen lastig. Zeker in sectoren met een sterke verantwoordingscultuur (zie het RVS rapport over dit onderwerp). De inspecteurs die wij spreken in het kader van Inspecteurs over hun vak zijn ook in dit denken getraind. Het maakt dat ze niet gewend zijn om vragen over impact en effecten van hun eigen optreden te beantwoorden.Want mag je dit soort vragen eigenlijk wel beantwoorden zonder de onderbouwing van een onafhankelijk uitgevoerd effectenonderzoek?

Wanneer is jouw werk nuttig? Wat zijn momenten waarop jouw werk er toe doet, je positieve verandering tot stand brengt? Wanneer ben jij van waarde voor de publieke zaak?

Beter worden door vragen te stellen

Maar dit soort vragen staan aan de basis van verbetering. Professionalisering gaat hand in hand met een intrinsieke wens tot kwaliteitsverbetering. Daar is continue reflectie over de (mogelijke) invloed van het eigen individuele en collectieve handelen voor nodig. Om te kunnen verbeteren moet je immers nadenken over wat eerder wel of niet heeft gewerkt en vooral waarom. Je kunt dat niet beperken tot die paar onderwerpen waar een volledige studie naar is verricht. Dan mis je veel te veel.

De afgelopen jaren is bij de rijksinspecties veel nadruk komen te liggen op het in kaart brengen van effecten van toezicht. Bij het verzamelen van al die ‘evidence’  worden bepaalde ‘regels’ gehanteerd. Die maken dat sommige invloeden eerder zichtbaar worden (gemaakt) dan anderen. Zo wordt er…

  • bij voorkeur gekeken naar causale relaties, dat geeft immers het sterkste bewijs voor effecten.
  • graag gegeneraliseerd en gesimplificeerd zodat de opgedane kennis in potentie op veel toekomstige gevallen van toepassing kan zijn.
  • gezocht naar objectieve informatie.
  • gekwantificeerd gemeten en gebruik gemaakt van grote aantallen.
  • met controlegroepen gewerkt.
  • gekeken naar grotere verbanden, grotere processen en grotere relaties.
  • (inspecteur) overstijgend gekeken, dus ofwel op inspectieniveau ofwel op geaggregeerd inspectieniveau.

Door al deze mechanismen, waar natuurlijk nog veel meer over te zeggen valt, krijgt het alledaagse, het contextspecifieke, het kleine, het complexe en het subtiele veel minder aandacht. Terwijl dat juist is waar de individuele inspecteur (of het team) mee te maken heeft.

Hoe te kijken naar je eigen impact?

Tegelijkertijd wordt van responsieve inspecteurs nu juist verwacht dat zij de context en de individuele omstandigheden slim in ogenschouw nemen en lerend en reflectief werken. De ontwikkeling van de daarvoor benodigde vaardigheden van inspecteurs vergt een ander evaluatief kader dan wat de hierboven beschreven effectmetingen bieden. Een belangrijk doel is om de achterliggende waarden en aannames over dit deel van het inspectiewerk te expliciteren. Wanneer individuele en contextspecifieke ervaringskennis namelijk impliciet blijft en niet wordt geanalyseerd, wordt ze vaak ‘gedegradeerd’ tot intuïtie en blijft ze lastig toetsbaar en overdraagbaar.

Met andere woorden: zouden de eigen ervaringen niet vaker de basis moeten vormen voor onderzoek (in de breedste zin van het woord) naar effecten en impact?

In sessies met inspecteurs draaien we het daarom om. We beginnen met te vragen naar momenten waarop zij het gevoel hadden het verschil te maken. Hoe klein of hoe groot of hoe subjectief ook. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we naar hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben. Als de ervaring vervolgens echt een positieve invloed lijkt te hebben gehad komt de volgende stap: kijken of het verder uit te bouwen is zodat meer mensen, inspecteurs, casus er profijt kunnen hebben.

Inspecteurs in gesprek met ondertoezichtstaanden

Met ondertoezichtstaanden in gesprek over het inspectiewerk: waarom zou je dat doen?

“De ondertoezichtstaande waarmee ik in gesprek ging was aan het mopperen. Hij vond het allemaal maar onzin en gedoe, dat toezicht, die controles en regels. Ik ging wat dieper in op de serieuze veiligheidsrisio’s die bij zijn beroep horen en de enorme schade bij ongelukken. We hadden het over wat er mis kan gaan en hoe de consequenties van ondoordachte of nalatige acties eruit kunnen zien. Gedurende het gesprek merkte ik dat er iets begon te veranderen. Eerst ging het alleen over de externe druk, maar later steeds meer over de eigen intrinsieke drang om veilig te werken. Aan het einde van onze conversatie was het veel duidelijker dat we hetzelfde doel voorstonden. Hij leek weer gemotiveerd om serieus met veiligheid, en de daarbij horende regels, om te gaan.” (Een inspecteur tijdens het Toezichtsfestival in 2018).

Het voeren van gesprekken is een belangrijk instrument voor inspecteurs. In een gesprek met ondertoezichtstaanden kun je ‘informeren naar hoe het gaat’. Je kunt achterhalen ‘waarom wetgeving niet wordt gevolgd’. Of ‘draagvlak creëren voor een interventie’ en zo ‘een organisatie in de juiste richting  krijgen’.

Maar is het gesprek alleen een bruikbaar toezichtinstrument, of kun je ook los van het directe inspectiewerk met ondertoezichtstaanden spreken? Hoe zinnig is het om in gesprek te gaan over kwaliteit, het toezicht of de specifieke invulling ervan? En welke aanpak past bij het in gesprek gaan met ondertoezichtstaanden over het inspectiewerk? Zal het geen afbreuk doen aan het gezag van de inspectie? En van de andere kant: willen ondertoezichtstaanden überhaupt wel praten over hoe zij het toezicht ervaren? Of zijn zij bang voor mogelijke consequenties? En wat leert één gesprek je wanneer het om zoveel ondertoezichtstaanden gaat? Kortom, kan dat wel, in gesprek gaan met ondertoezichtstaanden over het inspectiewerk?

Lees meer

Inspecteurs aan het woord

Inspecteurs aan het woord

Zorgvuldig omgaan met macht

“Je krijgt een positie als toezichthouder, maar je moet hem ook verdienen. Daar moet je continu aandacht aan geven. Je moet je er bewust van zijn, want het geeft je ook macht. Daar moet je zorgvuldig mee omgaan.”
(uit ‘Inspecteurs over hun vak’)
 
Het antwoord van een inspecteur op de vraag: “Waar was je de afgelopen weken trots op? Wat was een moment waarop je het idee had dat jouw inspectiewerk bijdroeg aan het grotere doel?” Zijn verhaal werd met herkenning ontvangen door de andere deelnemers aan het groepsgesprek. Ook zij vertelden van momenten waarop zij het idee hadden gehad verschil te hebben gemaakt. We stellen deze vraag wel vaker. Zo leren we over belangrijke momenten van inzicht, invloed of verandering.