Effect onderzoeken is maatwerk

In gesprek over effect

Als je met elkaar een goed gesprek wil voeren over effect kan  het zoeken zijn naar de insteek. Daarvoor is scherpte en maatwerk nodig. Anders loop je het risico dat je langs elkaar heen praat.

Over het onderzoeken van effect in het algemeen én in het toezicht zijn boeken vol geschreven. Die gaan soms over maatwerk, maar vaker nog over algemene evaluatiemethoden (vaak ‘SMART’). Wij spreken over effect (én invloed én impact) met inspecteurs bij verschillende inspecties. We vragen naar hun visie en ervaring en onderzoeken samen hoe het gesprek over effect zo productief mogelijk gevoerd kan worden. Dat inspecteurs onderling ook verschillend denken, zoals in dit artikel inspecteurs die meer reactief of meer proactief werken, nemen we daar graag in mee.

In dit actieonderzoek vragen we inspecteurs naar momenten waarop zij effect hebben gehad. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben.

Toezicht aan de voorkant: het voorkomen van problemen

Toezicht richt zich steeds vaker op het voorkomen van problemen. ‘Toezicht aan de voorkant’ met de bedoeling om handhaving op een later moment voor te zijn. (1)  De inspecteurs die wij spreken die zich bezighouden met dit type proactief toezicht zijn er vaak positief over. Ze hebben het idee dat het goed werkt:

“Wij voeren tegenwoordig gesprekken met nieuwe toetreders [startende organisaties]. Zodat deze organisaties weten wat ze kunnen verwachten van de inspectie. Eigenlijk geven we voorlichting. Volgens mij is dat een goede zaak. Op dat moment heb je als inspectie namelijk nog de ruimte om te vertellen wat er bij hoort en waar ze op moeten letten. Dat hoort ook echt bij ons werk, maar dat wordt nog wel eens vergeten.”

Zo’n proactieve aanpak kan ook werken bij ondertoezichtstaanden die al langer actief zijn. Zodat ze gewaarschuwd zijn voor sommige risico’s, of verder verbeteren. Sommige inspecteurs vertellen ondertoezichtstaanden graag over best practices in het veld. Of wijzen ondertoezichtstaanden op ruimte binnen de regels (zie Inspecteurs over hun vak).

Nog een mooi voorbeeld van proactief toezicht

Een inspecteur vertelt hoe hij zijn ervaringen inzet om een organisatie preventief te wijzen op mogelijke gevaren en risico’s.

“Een half jaar na het ernstige incident bij X was ik op inspectie bij Y. De organisaties waren vergelijkbaar. Navraag leerde dat Y geen kennis had van de toedracht van het incident bij X. Ook had men geen enkel idee of een dergelijk incident ook bij hen zou kunnen plaatsvinden. Ik bood Y aan om mijn kennis van de toedracht van het incident bij X met hen te delen. Voor zover het onderzoek dat toeliet, deelde ik tijdens een presentatie voor de voltallige leiding van Y, alles wat ze weten moesten over de toedracht, de oorzaken en de gevolgen van het incident. Mijn verslag werd in stilte en zonder enig tegenargument aangehoord. De leiding van Y ging zich beraden en nodigde mij al vrij snel uit voor een overleg. Ze hadden zelf onderzoek gedaan en besloten om te investeren in [kwaliteitsaspecten]. Het kostte Y meer dan twee jaar en een enorme investering. Toen was de gewenste kwaliteit bereikt.”

De inspecteur droeg deze casus aan als voorbeeld van een moment waarop hij vond dat hij echt impact had gehad. Hoe waardevol is het als een bedrijf niet alleen vanuit de angst voor handhaving het minimaal noodzakelijk doet, maar intrinsiek gemotiveerd is om het bedrijf veiliger te maken?

Toezicht gericht op handhaving: de ‘rotte appels’ eruit

We spreken ook met inspecteurs die zich vooral richten op de hardere handhaving. Die overtreders opsporen en ‘van de markt af willen krijgen’ en vooral veel ‘rotte appels’ tegenkomen. Deze inspecteurs kunnen hun werk en hun verhouding tot ondertoezichtstaanden heel anders zien:

“Ik hoef geen warme relatie met de ondertoezichtstaande. Wij gaan niet leuk uit elkaar. Sterker nog: ik achtervolg je de volgende keer weer.”

 

“Wij hebben als motto ‘ieder bedrijf heeft het recht gecontroleerd te worden’.  Wij willen dat bedrijven bang zijn om gecontroleerd te worden. Een ‘boeterapportje’ wordt lachend opzij geschoven. Samenwerking met opsporing, dat  is belangrijk, omdat je dan snel kunt schakelen naar strafrecht. Zo kun je de boeven echt pakken. We hebben een lijst van notoire overtreders. Dat moeten er nul worden.”

Hoort dit wel bij onze taak?

De proactieve aanpak met voorlichting en advisering verhoudt zich soms lastig tot wat de handhavende inspecteur ziet als zijn taak. Hij vindt zo’n ‘softe’ aanpak dan ook lastig. Niet passend bij de taak van de inspectie of bij zijn rol als inspecteur.

“Ik ben als inspecteur geworven, niet als voorlichter.”

Tegelijkertijd merken we van de adviserende inspecteurs dat het hen kan frustreren wanneer er te snel wordt gevraagd om handhavingsmiddelen in te zetten. Of wanneer in de verantwoording vooral gevraagd wordt om aantallen opgelegde sancties. Zij zien hoe een te harde aanpak bij hun doelgroep ook averechts kan werken. Daarnaast speelt ook bij deze inspecteurs een verschil in perspectief mee.

Je ziet inspecteurs die vooral te maken hebt met niet-willers (‘de boeven’) anders praten over de effectiviteit van handhavingsmaatregelen dan inspecteurs die vooral niet-weters (de onbewuste overtreders) tegenkomen. Wanneer inspecteurs vervolgens wordt gevraagd te werken met een aanpak die ze niet passend vinden, zie je dat hun energie weglekt. Als er geen sprake is van maatwerk in het nadenken over effect krijg je verlies van betrokkenheid en eigenaarschap. Dan passen de individuele ervaringen van effect niet goed genoeg bij de officiele rethoriek.

Verschil in visie en aanpak

De gesprekken met inspecteurs maken een verschil in visie zichtbaar. Focus je als toezichthouder op de naleving van wet- en regelgeving? Of heb je vooral aandacht voor het stimuleren van de  ondertoezichtstaanden en probeer je door advisering of voorlichting de organisaties de goede richting op te wijzen? Ben je meer van een reactieve aanpak waarbij het opleggen van sancties het zwaarste instrument is? Of ben je er juist van overtuigd dat voorkomen beter is dan genezen.

Van inspectievisie naar uitwerking in de praktijk

Op inspectieniveau kan er een uitgewerkte overkoepelende visie bestaan waarbinnen ruimte is voor verschillende aanpakken bij verschillende vraagstukken. Dat wil echter niet zeggen dat deze inspectievisie voor inspecteurs in het dagelijks werk voldoende richting geeft. Of de verschillen in aanpak tussen inspecteurs voldoende duidelijk maakt.  Zij merken op: Wat beoogt onze inspectie nou precies te bereiken? Als we dezelfde taakopdracht hebben, hoe kunnen onze aanpakken binnen die opdracht dan zo verschillen? En ook een relevante opmerking: Hoe komt het bij ondertoezichtstaanden over als we ze zo verschillend tegemoet treden? De verschillende aanpakken kunnen onderling schuren, zeggen ze.

‘We komen bij dezelfde organisaties, maar we hanteren niet één lijn.’

Sommige inspecteurs voelen frustratie of voelen zich niet voldoende gehoord als ze merken dat andere directies of inspecties hun aanpak en de resultaten die ze daarmee halen niet zien of onvoldoende waarderen.

Nadenken over effect is maatwerk

Met het simpel constateren van deze verschillen in visie en aanpak zijn we er niet. Elkaar overtuigen van de beste aanpak werkt ook niet.

Wat volgens ons wel kan helpen is een preciezer gesprek over het gewenste effect. Wat denken we dat op dit moment, bij dit probleem, met deze doelgroep, met deze wetgeving en deze andere stakeholders, binnen onze eigen mogelijkheden het meest effectief zal zijn? Door meer zicht te krijgen in de – ook mogelijk verschillende of elkaar aanvullende – beoogde effecten ontstaat ruimte om elkaars aanpak te verkennen en te waarderen wat werkt. Niet uniformiteit in de aanpak staat dan centraal, maar een aanpak die past bij de gewenste effecten. Maatwerk dus. Dan pas kun je elkaar ook kritische vragen stellen als: Waarom denk je te zien dat deze aanpak werkt (gelet op het beoogde effect)? Is er een andere stakeholder die dit effectiever zou kunnen doen? Waarom denken we dat wat eerder werkte nu ook werkt? Of hoe verhoudt dit (beoogde) effect zich tot andere effecten die we binnen ons team of binnen onze inspectie willen bereiken? Dit soort vragen brengen inspecteurs -ook wanneer ze verschillend denken over ‘de beste aanpak- verder. Het is wel wat anders dan het SMART denken waar veel mensen in getraind zijn. Misschien tijd voor een nieuwe acronym?

 

Voetnoot

(1)Natuurlijk zijn er toezichtsgebieden waarbij het toezicht ‘aan de voorkant’ al langer wettelijk is geregeld. Een vliegtuigmaatschappij of een ziekenhuis begin je niet zomaar. Er zijn regels waaraan je in die sectoren moet voldoen voordat je überhaupt mag beginnen. Op die regels wordt toezicht gehouden, bijvoorbeeld door controles van verplichte certificering. Maar er zijn ook sectoren waarin geen wettelijke voorwaarden worden gesteld om een onderneming of organisatie te mogen beginnen. Waar je geen diploma, certificering of toestemming nodig hebt om aan de slag te gaan. Als je eenmaal begonnen bent heb je je dan wel te houden aan wet- en regelgeving over de kwaliteit van je dienst of product. En kun je boetes of andere sancties verwachten wanneer je dat niet doet. Maar omdat achteraf straffen ook niet altijd de oplossing lijkt, worden sommige inspecties steeds proactiever en richten ze zich, zonder expliciete wettelijke opdracht, op preventie.

 

Ruimte voor reflectie

“Het is zó druk er is geen ruimte om na te denken. Aan wat belangrijk is komen we haast niet meer toe”.

Merkt u het ook? Te veel publieke professionals bezwijken (bijna) onder de werkdruk. De afgelopen weken sprak ik iedere dag wel iemand die aangaf dat de druk niet te doen was: inspecteurs, een verpleegkundige, een gemeenteambtenaar, een beleidsmedewerker of onderwijzers. Wat me opvalt is dat de bevlogen professionals die ik de laatste tijd spreek allemaal graag twee dingen willen: Ze willen hun werk heel graag goed doen én ze willen ook nog eens heel graag het goede doen.

De trein dendert door

Interessant genoeg lijkt het zo te zijn dat hoe drukker het wordt, hoe meer de focus komt te liggen op het eerste: je werk goed doen: taken afmaken, verplichtingen nakomen, targets halen. De trein dendert door en de ‘moetjes’ stapelen zich op.

Maar om te kunnen nadenken over of wat je doet ook het goede is om te doen is ruimte nodig. Wat is het belangrijkste, het meest effectieve, het meest impactvolle? Vragen die niet alleen op een hoog abstractie niveau belangrijk zijn, maar juist ook passen bij het dagelijkse werk. Wat ging er goed de afgelopen tijd? Wanneer had ik het gevoel dat wat ik deed effect sorteerde? En op welke manier kom ik daar achter? Maar ook: wat voelt niet zinnig of nuttig? Waar zitten we vast in onze eigen vanzelfsprekendheden? Belangrijke vragen waar soms van wordt teruggedeinsd. Misschien voelt het te spannend. Wat zal er naar boven komen wanneer we serieus naar de inhoud van ons werk kijken? Of als we aan anderen vragen hoe zij het hebben ervaren? En hoe vinden we dan ook nog ruimte om daar vervolgens iets mee te doen?

Een consequentie of ook een oorzaak?

Maar is dat niet zorgelijk? Als we geen ruimte vinden om na te denken over waarom we doen wat we doen, wat gebeurt er dan? Wat doet het met de betrokkenheid, de gevoeligheid, het enthousiasme en het menszijn van publieke professionals? En welke consequenties heeft dat dan weer voor de kwaliteit van de dienstverlening en de aansluiting van de systeemwereld bij de leefwereld? Misschien is het gebrek aan ruimte voor inhoudelijke reflectie niet alleen een consequentie, maar ook een oorzaak voor de ervaren druk.

Ik moet bij dit onderwerp altijd aan het boek van Michael Ende denken: ‘Momo en de tijdspaarders‘. Een prachtig verhaal over volwassenen die zo druk aan de slag gaan met het sparen van tijd voor later dat ze vergeten te leven. Een aanrader voor groot en klein.

Michael Ende

Analytische aandacht

Ruimte voor inhoudelijke reflectie is een thema dat ons voorlopig nog vollop bezighoudt. Hoe vindt of creeër je die? Kan je ervoor zorgen dat reflectie niet uitmondt in navelstaarderij of inproductief gemopper? En dat het niet alleen gaat over de persoonlijke, emotionele kant, waarvoor bijvoorbeeld intervisie een waardevol instrument is. Maar juist reflectie op de publieke taak en de invulling daarvan, ookal zijn ze sterk met elkaar verweven? En vooral ook, hoe zorg je dat de publieke zaak er uiteindelijk beter van kan worden? Dat het niet vervliegt?

Ook Herman Tjeenk Willink signaleert in zijn boek ‘Groter denken, kleiner doen’ de urgentie van reflectie op de publieke zaak door professionals zelf.

Herman Tjeenk Willink

Wij zien ruimte voor reflectie als een onderwerp en vorm van onderzoek. Dat betekent dat we enerzijds deze processen op een gestructureerde, kritische wijze aanjagen, vaak in de vorm van actie-onderzoek. Anderzijds bekijken we de processen vervolgens ook als een onderwerp van onderzoek en maken de rode draden ook voor andere professionals, leidinggevende en bestuurders zichtbaar. We noemen dat graag het geven van analytische aandacht.

Maar nu terug naar u.  Heeft u, binnen uw organisatie, voldoende ruimte voor reflectie op het werk? Gebeurt dat op eigen initiatief of is die ruimte organisatorisch ingebouwd? Wat heeft u nodig om van een afstandje te kunnen kijken naar het werk dat u doet? En bespreekt u dit op analytische wijze met uw collega’s? Hoe maakt u daar ruimte voor?

Perspectief inspecteurs

Inkleuring van maatschappelijke betrokkenheid

Maatschappelijke betrokkenheid is voor veel inspecteurs een belangrijke drijfveer. “De kans dat er in het veld iets misgaat is klein, maar het effect is groot.” “Ik heb een sterk rechtvaardigheidsgevoel. Mij motiveert om uit te zoeken wat er is gebeurd, en me niet neerleggen bij fouten. Recht doen aan de zaak.” “Het is fijn om iets te kunnen betekenen voor mensen in hun werksituatie. Zodat zij ’s avonds weer veilig en gezond huiswaarts kunnen keren.” Doorvragend blijkt deze maatschappelijke betrokkenheid bij inspecteurs verbonden te zijn met verschillende perspectieven.

Perspectief van de professional in het veld

Sommige inspecteurs benaderen hun werk vanuit hun eigen ervaring als professional in het veld. In hun inspectiewerk willen ze bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van het beleidsterrein waar ze toezicht op houden.

“Voor mij is inspectiewerk bijdragen aan de kwaliteit van het veld. Hiervoor heb ik 10 jaar zelf als professional in het veld gewerkt. Bij de inspectie kan ik dat doen meer vanuit de achterkant, waarbij je toekijkt als het al gebeurd is en niet zozeer zelf bezig bent met creatie. Ik gebruik mijn achtergrond in de waardering van de informatie die ik krijg. Het beïnvloedt de manier waarop ik kijk naar meldingen of naar de houding van mensen bij meldingen. Ik kan me goed verplaatsen in wat dit betekent voor de verschillende mensen. In ons overleg merk ik dat dat een aanvulling is op wat er al is. In plaats van heel negatief oordelend, wil ik ook in kaart brengen of belichten ‘hoe zit die ander erin?’.’ Kun je je voorstellen wat die ander aan het beleven is?’. Ik waardeer het vak van de professional. Ik voel me verbonden met de mensen die dat werk in het veld doen.”

Perspectief van de burger

In reactie hierop benadrukte een andere inspecteur het waardevol te vinden dat er inspecteurs zijn met praktijkervaring uit het veld omdat zij een goede vertaalslag kunnen maken. Voor zichzelf vindt hij het vooral van waarde dat hij juist géén achtergrond of verbinding met het veld heeft.

“Dat vind ik soms ook heel erg fijn, omdat ik het gevoel heb dat ik daardoor als burger kan kijken. En dat vind ik waardevol. Ik vind niet dat wij als inspectie er zijn voor de professional, maar veel meer voor de burger. Met die motivatie leek mij dit vak heel erg mooi: dat je voor iedereen in Nederland zorgt dat de kwaliteit goed is. Daarvoor vind ik het juist makkelijk dat ik me niet zo makkelijk kan inleven in de beroepsgroep. Ik vind het fijn om die afstand te hebben. Soms doet het er niet toe dat het heel invoelbaar en begrijpelijk is dat het misgaat. Want eigenlijk willen we voor een bepaalde kwaliteit staan. En hoe begrijpelijk het soms is dat het misgaat, als je er voor de burger bent, dan moet je dat soms niet accepteren en durven op te treden op die momenten. En ik vind dat je daar als inspecteur een rol hebt die je moet durven nemen.”

Een waardevol gesprek volgde tussen de inspecteurs. Voor welk perspectief sta jij in je werk? We vroegen door over de perspectieven en of deze tijdens overleggen ook wel expliciet benoemd worden.

“Eigenlijk nemen we niet voldoende tijd om deze rollen zo te benoemen. Twee medewerkers behandelen de casus en dan maakt het eigenlijk niet zo uit of er nog andere perspectieven aan tafel zitten.”

Perspectieven expliciet inzetten

Uit gesprekken blijkt dat inspecteurs vanuit verschillende perspectieven, vanuit verschillende waarden naar hun inspectiewerk kijken. We komen bijvoorbeeld ook wel eens het beleidsperspectief of een repressief perspectief tegen. Al deze perspectieven zijn direct van invloed op hoe inspecteurs naar hun werk kijken, welke afwegingen en keuzes zij maken.

Wat is het effect als deze perspectieven impliciet blijven en niet naar elkaar kenbaar worden gemaakt? Terwijl, zoals blijkt, een gesprek hierover zoveel inzicht kan geven in elkaars waarden en in elkaars optreden. Een inspecteur vertelde:

“Ik herken dit wel in ons overleg. Laatst hadden we bespreking en toen ging jij er ook echt voor staan: ‘Als deze ondertoezichtstaande echt helemaal niet meewerkt aan onderzoek, hoe kan het dan zijn dat hij ermee weg kan komen? Dat zegt ook iets over iemands houding.’ Toen ging jij staan voor de maatschappij: dat kunnen we niet zo toelaten. Dat hebben we toen expliciet meegenomen in onze beslissing.“

Sterker nog: deze verschillende perspectieven kunnen het inspectiewerk versterken. Het gaat bij inspectiewerk om het afwegen van belangen, om als intermediair een zorgvuldige en gewogen beslissing te nemen die recht doet aan de context. De echt interessante vraag is: Op welke manier kunnen we deze perspectieven en waarden expliciet maken en vervolgens benutten om ons werk te verbeteren? In hoeverre kun je inspecteurs expliciet een perspectief laten ‘innemen’ en zo met elkaar reflecteren op een casus?

We zijn benieuwd of het denken in perspectieven ook bij andere inspecteurs herkenning, verbazing of iets anders oproept. Voor welk perspectief sta jij? Of benadruk jij juist weer een ander perspectief? En vooral: verkennen jullie met elkaar op welke manier je deze verschillende perspectieven met elkaar bespreekbaar kunt maken? In hoeverre kun je deze perspectieven juist benutten om het werk te verbeteren? Of is het moeilijk om te erkennen dat er verschillende perspectieven bestaan wanneer er een soort neutrale objectieve houding van je wordt verwacht.

Graag horen we jouw ervaring!

Van ervaring naar impact
Lastige vragen over impact

Noem ons megalomaan of naïef, maar Yvonne en ik willen allebei graag dat ons werk er toe doet. Hoewel we heel verschillend zijn, vinden we elkaar volledig in dat we het belangrijk vinden dat ons werk nut heeft. Dat klinkt misschien overdreven. Maar het zit hem vaak juist in kleine dingen. Zo blikken we samen terug op onze ervaringen: Hebben we misschien een perspectief kunnen toevoegen dat anders over over het hoofd was gezien? Konden we gebruik maken van onze onafhankelijke positie en een nieuw inzicht aandragen? Impact- onze eigen definitie daarvan- is één van onze belangrijkste maatstaven die we gebruiken om te kijken of het nog goed gaat.

Maar nadenken over impact of effecten is helemaal nog niet zo makkelijk. Niet alleen voelt het soms wel erg megalomaan (“Alsof de hele wereld om jou draait!”) of juist naïef (“Er zijn meer factoren van invloed, hoor”). Soms is het lastig om de tijd of de ruimte te nemen om hierover na te denken, een volgende inspectie of onderzoek ligt immers al te wachten. Bovendien is het denken over deze onderwerpen zo sterk beïnvloedt door een specifiek ‘meten is weten’ denken dat het vaak al stopt voor het goed en wel begonnen is.

Dat maakt het nadenken over dit soort vragen voor veel mensen lastig. Zeker in sectoren met een sterke verantwoordingscultuur (zie het RVS rapport over dit onderwerp). De inspecteurs die wij spreken in het kader van Inspecteurs over hun vak zijn ook in dit denken getraind. Het maakt dat ze niet gewend zijn om vragen over impact en effecten van hun eigen optreden te beantwoorden.Want mag je dit soort vragen eigenlijk wel beantwoorden zonder de onderbouwing van een onafhankelijk uitgevoerd effectenonderzoek?

Wanneer is jouw werk nuttig? Wat zijn momenten waarop jouw werk er toe doet, je positieve verandering tot stand brengt? Wanneer ben jij van waarde voor de publieke zaak?

Beter worden door vragen te stellen

Maar dit soort vragen staan aan de basis van verbetering. Professionalisering gaat hand in hand met een intrinsieke wens tot kwaliteitsverbetering. Daar is continue reflectie over de (mogelijke) invloed van het eigen individuele en collectieve handelen voor nodig. Om te kunnen verbeteren moet je immers nadenken over wat eerder wel of niet heeft gewerkt en vooral waarom. Je kunt dat niet beperken tot die paar onderwerpen waar een volledige studie naar is verricht. Dan mis je veel te veel.

De afgelopen jaren is bij de rijksinspecties veel nadruk komen te liggen op het in kaart brengen van effecten van toezicht. Bij het verzamelen van al die ‘evidence’  worden bepaalde ‘regels’ gehanteerd. Die maken dat sommige invloeden eerder zichtbaar worden (gemaakt) dan anderen. Zo wordt er…

  • bij voorkeur gekeken naar causale relaties, dat geeft immers het sterkste bewijs voor effecten.
  • graag gegeneraliseerd en gesimplificeerd zodat de opgedane kennis in potentie op veel toekomstige gevallen van toepassing kan zijn.
  • gezocht naar objectieve informatie.
  • gekwantificeerd gemeten en gebruik gemaakt van grote aantallen.
  • met controlegroepen gewerkt.
  • gekeken naar grotere verbanden, grotere processen en grotere relaties.
  • (inspecteur) overstijgend gekeken, dus ofwel op inspectieniveau ofwel op geaggregeerd inspectieniveau.

Door al deze mechanismen, waar natuurlijk nog veel meer over te zeggen valt, krijgt het alledaagse, het contextspecifieke, het kleine, het complexe en het subtiele veel minder aandacht. Terwijl dat juist is waar de individuele inspecteur (of het team) mee te maken heeft.

Hoe te kijken naar je eigen impact?

Tegelijkertijd wordt van responsieve inspecteurs nu juist verwacht dat zij de context en de individuele omstandigheden slim in ogenschouw nemen en lerend en reflectief werken. De ontwikkeling van de daarvoor benodigde vaardigheden van inspecteurs vergt een ander evaluatief kader dan wat de hierboven beschreven effectmetingen bieden. Een belangrijk doel is om de achterliggende waarden en aannames over dit deel van het inspectiewerk te expliciteren. Wanneer individuele en contextspecifieke ervaringskennis namelijk impliciet blijft en niet wordt geanalyseerd, wordt ze vaak ‘gedegradeerd’ tot intuïtie en blijft ze lastig toetsbaar en overdraagbaar.

Met andere woorden: zouden de eigen ervaringen niet vaker de basis moeten vormen voor onderzoek (in de breedste zin van het woord) naar effecten en impact?

In sessies met inspecteurs draaien we het daarom om. We beginnen met te vragen naar momenten waarop zij het gevoel hadden het verschil te maken. Hoe klein of hoe groot of hoe subjectief ook. Die ervaring is het startpunt. Vervolgens kijken we naar hoe we die ervaring kunnen bevragen, objectiveren, toetsen en wie of wat we daarvoor nodig hebben. Als de ervaring vervolgens echt een positieve invloed lijkt te hebben gehad komt de volgende stap: kijken of het verder uit te bouwen is zodat meer mensen, inspecteurs, casus er profijt kunnen hebben.

Met ondertoezichtstaanden in gesprek over het inspectiewerk: waarom zou je dat doen?

“De ondertoezichtstaande waarmee ik in gesprek ging was aan het mopperen. Hij vond het allemaal maar onzin en gedoe, dat toezicht, die controles en regels. Ik ging wat dieper in op de serieuze veiligheidsrisio’s die bij zijn beroep horen en de enorme schade bij ongelukken. We hadden het over wat er mis kan gaan en hoe de consequenties van ondoordachte of nalatige acties eruit kunnen zien. Gedurende het gesprek merkte ik dat er iets begon te veranderen. Eerst ging het alleen over de externe druk, maar later steeds meer over de eigen intrinsieke drang om veilig te werken. Aan het einde van onze conversatie was het veel duidelijker dat we hetzelfde doel voorstonden. Hij leek weer gemotiveerd om serieus met veiligheid, en de daarbij horende regels, om te gaan.” (Een inspecteur tijdens het Toezichtsfestival in 2018).

Het voeren van gesprekken is een belangrijk instrument voor inspecteurs. In een gesprek met ondertoezichtstaanden kun je ‘informeren naar hoe het gaat’. Je kunt achterhalen ‘waarom wetgeving niet wordt gevolgd’. Of ‘draagvlak creëren voor een interventie’ en zo ‘een organisatie in de juiste richting  krijgen’.

Maar is het gesprek alleen een bruikbaar toezichtinstrument, of kun je ook los van het directe inspectiewerk met ondertoezichtstaanden spreken? Hoe zinnig is het om in gesprek te gaan over kwaliteit, het toezicht of de specifieke invulling ervan? En welke aanpak past bij het in gesprek gaan met ondertoezichtstaanden over het inspectiewerk? Zal het geen afbreuk doen aan het gezag van de inspectie? En van de andere kant: willen ondertoezichtstaanden überhaupt wel praten over hoe zij het toezicht ervaren? Of zijn zij bang voor mogelijke consequenties? En wat leert één gesprek je wanneer het om zoveel ondertoezichtstaanden gaat? Kortom, kan dat wel, in gesprek gaan met ondertoezichtstaanden over het inspectiewerk?

Lees meer